Mijn oom Lenny (3)

February 24, 2011

Een estafetteverhaal in samenwerking met vriend-schrijver Gilles van der Loo, waarin onze protagonist Johannes Zanger alles riskeert om zijn geliefde oom Lenny uit de klauwen van het paramilitaire ANP te bevrijden. Een verhaal over vriendschap, liefde en hoogwaardige haarproducten; over persvrijheid, privacy en mannen met ballen van staal.

Hoofdstuk 3: het dwaalspoor

Achteraf is het makkelijk praten, maar als ik van tevoren had geweten hoe de dingen zouden lopen, zou ik het allemaal anders hebben aangepakt. De vroegtijdige dood van mijn vader, het verdriet van mijn moeder, het inslapen van Pixie, de laaghartige leugens over mijn oom Lenny en diens plotselinge verdwijning hadden allemaal voorkomen kunnen worden als ik wat hardere ballen had gehad, de ballen van een soldaat. Om te beginnen zou ik mijn haar beter hebben verzorgd, met professionele, water- en stormvaste kwaliteitsproducten, niet dat slappe consumentenspul. Ik zou mijn zakgeld hebben opgespaard voor de complete epoxielijn van Keune. Ik zou eerder zijn opgestaan om de groeven nog scherper in mijn schedel te etsen. Ik zou extra aandacht hebben besteed aan de afwerking en misschien toch zijn overgestapt op hoogglans, ook al was dat duurder en bewerkelijker. Als ik het over mocht doen, zou ik net als oom Lenny mijn eigen verstuivingsvitrine hebben gebouwd. Iedere ochtend nadat hij zijn haar had gemodelleerd, stapte hij in een soort glazen telefooncel en draaide langzaam rond op een plateau terwijl een wolk van fixeer over zijn perfect symmetrische groeven neerdaalde. Om zijn luchtwegen te beschermen tegen de fijne chemische deeltjes had hij een meedraaiende beademingskap gemonteerd, maar die gebruikte hij bijna nooit. Ome Len was wel erger gewend: tijdens de bestorming van Uden was hij blootgesteld aan dikke walmen mosterdgas en andere chemische wapens, maar afgezien van een droog rokershoestje hadden die bij hem nauwelijks schade aangericht. ‘Verkwikkend’ noemde hij de gassen die hij iedere morgen inademde terwijl hij langzaam om zijn as roteerde in de glazen kast. Bijkomend voordeel was dat zijn kunstgebit zo beter bleef zitten. De verstuiving gaf wel een vreemd, metaalachtig smaakje, maar dat maakte me niet uit: je moet iets over hebben voor perfectie.

Bij het zwakke schijnsel van het peertje kijk ik naar de tekening op de muur van mijn cel. Het graf van mijn vader en Pixie-Stardust-Chardonnay, oom Lenny die de hand van mijn moeder vasthoudt, een zwerm meeuwen in de lucht… Kutbeesten, denk ik bijna hardop. Ik wil op de grond spugen, maar er hangen hier overal camera’s, dus slik ik mijn spuug in en probeer zo betekenisloos mogelijk in het oneindige te staren. Je weet tenslotte nooit wie er meekijkt. Het cellencomplex van het ANP is gebouwd in een cirkel, met in het midden een commandokamer van waaruit de persagenten alle ‘geïnterviewden’ in de gaten kunnen houden. De kamer heeft geblindeerde ramen, dus je weet nooit zeker of er iemand in zit of niet. Daarom hou ik me kalm. Om de tijd te doden, oefen ik De Blik op een veldmuis die aarzelend op mijn stuk brood aftrippelt. Iedere paar pasjes gaat hij op zijn achterpootjes staan en steekt zijn neus in de lucht. Zodra hij me ziet kijken, bevriest hij. Even verwijden zijn neusgaten zich, waarna de muis zich snel uit de voeten maakt en verdwijnt in een spleet achter de toiletpot. Gelukkig, zucht ik opgelucht. De Blik werkt nog, in ieder geval bij kleine knaagdieren.

Als ik het over mocht doen, zou ik nog dichter tegen oom Lenny aan hebben gelegen. Ik zou de pijn hebben verbeten, want echte vriendschap laat nu eenmaal een schraal, branderig gevoel achter. Nu het te laat is, begrijp ik dat… Ik zou het dekzeil over onze hoofden trekken en de wereld buitensluiten, zodat alleen wij nog bestonden. Twee vrienden op een bed van helmgras. In het donker zou ik zijn snor in mijn nek voelen kriebelen en ik zou kunnen genieten van zijn kleine plaagbeetjes. De afdrukken van zijn ivoren gebit zou ik met trots dragen als een merkteken, een eremedaille van ware kameraadschap. Ik zou zijn enige vriend zijn. Niet Prins Bernhard, maar ik, Johannes Zanger, zou de gevierde gezel zijn van Leonard von Liechtenstein, de geridderde verzetsheld, de bevrijder van Etten-Leur, de vredestichter van Wageningen. Ik, en niet die verwijfde prins-gemaal met zijn pijp en zijn anjer en zijn suikerpaleizen zou oom Lenny vergezellen op Veteranendag. Ik zou salueren zoals Bernhard alleen maar zou kunnen in zijn natste Pruisische dromen. Met strakke kaken, glanzende petten en dure zonnebrillen zouden we het defilé afnemen, onze blikken strak langs de stoet, voorbij de glooiende heuvels van de militaire begraafplaats, onwrikbaar gericht op de zee waaruit onze vriendschap was opgerezen.

En dan is er ook nog die JZ (of was het Jay-Z?) die zich zo schaamteloos aan oom Lenny had opgedrongen. In de krant had geen foto gestaan, maar je kon er donder op zeggen dat dit het sletterige type was. Met een zijscheiding natuurlijk, puur en alleen om in het gevlei te komen. Zo’n wufte gladjanus zonder noemenswaardige groeven die alleen maar uit is op oom Lenny’s ballen. ‘Op ónze ballen!’, zeg ik hardop. Mijn stemgeluid weerkaatst tegen de kale muren van mijn cel.  Oei… oppassen nu. Elk woord dat ik hier uitspreek is er eentje te veel, want de muren hebben oren. Ik draai me weg van de camera boven de deur en tast voorzichtig in mijn kruis, wat ik wel vaker schijn te doen als ik een beetje slaperig ben. Een warme golf van geruststelling gaat door me heen. Ik heb ze nog. Mijn ballen. Als loden kogels liggen ze in mijn hand, zwaar en hard en koel. Even ben ik ontroerd door mijn eigen geslacht, maar ik vecht de tranen terug en adem een paar keer diep in en uit. Zodra ik hieruit kom, zal ik die Jay-Z eens laten voelen dat er met ware vriendschap niet te sollen valt. Dat zweer ik.

Het is middernacht. Dat weet ik zeker, want de lichten in het cellencomplex gaan uit en de muziek slaat aan. Om de geïnterviewden murw te krijgen, jaagt het ANP iedere nacht op een oorverdovend volume de nieuwe cd van Rammstein door de speakers. Nazipraktijken zijn het, maar mij deert het niet. In onze strandhut draaide oom Lenny graag Wagners Ring des Niebelungen en daar viel ik altijd direct van in slaap. Ik ben dus wel wat gewend. Met half open ogen staar ik naar het plafond. Bei dir habe ich die Wahl der Qual / Stacheldraht im Harnkanal / Leg dein Fleisch in Salz und Eiter / Erst stirbst du doch dann lebst du weiter, schallen de speakers. Ik versta geen Duits, maar toch doet de tekst me aan mijn vader denken die nu dood in onze tuin ligt te composteren. Als ik het allemaal over mocht doen, zou ik de brief van oom Lenny nooit – maar dan ook nooit – in mijn vaders helm hebben verstopt. Hoe kon ik zo stom zijn? Wie vertrouwt nou het grootste geheim van een geridderde oorlogsheld toe aan een zwakzinnige? Een klamme rilling siddert door me heen. Ik draai mijn hoofd naar de muur en trek mijn knieën op. De geheime brief, het gekonkel van Jay-Z, de plotselinge verdwijning van oom Lenny, de persagenten, de dood van mijn vader; op de een of andere manier heeft het allemaal met elkaar te maken. Alles is met alles verbonden, al weet ik nog niet precies hoe.

Ich tu dir weh / Tut mir nicht leid / Das tut dir gut / Hör wie es schreit (2x)

Een dun streepje licht schijnt door de tralies naar binnen en verlicht de celmuur met mijn tekening. In het vale schijnsel kijk ik naar het graf van mijn vader. Natuurlijk! De brief! De geheime brief van oom Lenny ligt daar gewoon voor het oprapen! Mijn vader is met zijn helm op gestorven, dus de brief moet samen met hem zijn begraven! Misschien is de envelop een beetje aangevreten door Pixie, of hebben bodemdieren het papier gedeeltelijk verorberd. Bepaalde schimmelculturen kunnen de inkt hebben aangetast of er is vocht in de kist getrokken, maar toch is er een goede kans dat de brief nog gedeeltelijk intact is. Ontbindingsprocessen verlopen doorgaans langzaam, doceerde ik mezelf. Op ons schuurdak had vroeger een dode spreeuw gelegen. Het heeft zeker zes jaar geduurd voordat die volledig was vergaan, en dat was nota bene in de buitenlucht, zonder kist of andere bescherming tegen de elementen. Misschien was het een uitzonderlijk taaie spreeuw, maar waarschijnlijker is dat de natuur haar eigen tempo volgt. Hoe dan ook, in het graf van mijn vader ligt de sleutel tot dit mysterie langzaam weg te rotten. Er is dus geen tijd te verliezen.

Plotseling is de vermoeidheid verdwenen. Ondanks de rustgevende muziek ben ik klaarwakker. Akkoord, er is geen seconde te verliezen, maar voordat ik hier kan vertrekken, moet ik iets aan deze tekening doen, want alle aanwijzingen naar het mysterie van oom Lenny staan hier gewoon open en bloot op de muur. Ik wil de tekening uitvlakken, maar het stompje gom op mijn potlood is te klein voor de hele afbeelding. Dan maar verwarring zaaien, denk ik bij mezelf en begin te tekenen. De persagenten van het ANP staan niet bekend om hun intellect, dus misschien kan ik ze op een dwaalspoor brengen. Met een paar simpele aanpassingen maak ik van het graf van mijn vader een vliegtuig. Mijn moeder verander ik in een grote pan mosselen en de meeuwen in de lucht zijn met een paar extra lijnen een doodshoofd. Het gaat eigenlijk best lekker en ik hoor mezelf neuriën terwijl ik het graf van Pixie (wat nu een melkmeisje is geworden) arceer. Pas als ik aan oom Lenny wil beginnen, slaat de twijfel toe. Waar zal ik hem door vervangen? Een gordijn misschien? Of een steelpan? Onwillekeurig schud ik mijn hoofd. Nee, oom Lenny verdient iets beters. Een paard of een ander edel dier, dat is beter. Een hert? Nee, te vrouwelijk. Een eland! Met een groot gewei en stoom uit zijn neusgaten, het hoofd fier geheven en het voorbeen opgetrokken. IJverig begin ik zijn loafers te veranderen in hoeven. Langzaam werk ik me een weg naar boven en ben halverwege als de celdeur plotseling open slaat. Is het al zo laat?! Een norse, gedrongen persagent wankelt slaapdronken naar binnen met een Nespresso op een dienblad. Zonder me een blik waardig te keuren zet hij het kopje voor me op de grond. Hij wil zich alweer omdraaien, maar merkt plotseling mijn aangepaste tekening op.  Hij wrijft in zijn ogen en staart – zoals puppies dat soms doen – met een licht gekanteld hoofd naar de afbeelding van ome Len, die in dit stadium nog het meeste lijkt op een faun met een onberispelijke haardracht.

‘Watte? Waar ben jij in godsnaam mee bezig?’, vraagt de persagent dreigend en grabbelt driftig in zijn vestzak naar zijn fluitje.

‘Ik… ik kon niet slapen en ik…’ begin ik stotterend, maar de persagent fluit dwars door mijn woorden heen en stormt met geheven wapenstok op me af. In een flits zie ik de knuppel op me neerdalen.

‘Kijk uit voor mijn haar!’ wil ik schreeuwen, maar nog voordat ik wegduik, weet ik dat ik te laat ben. Zo meteen zal alles donker worden. Donker en stil. Ik zal pijn lijden en er zal bloed vloeien, maar het maakt niet meer uit, denk ik vlak voordat de stok op mijn nek neerkomt. Niets maakt meer uit, want ik heb een plan.

[Arjen van Lith, 24 februari 2011]

Advertisements

Mijn oom Lenny (2b)

February 22, 2011

Een estafetteverhaal in samenwerking met vriend-schrijver Gilles van der Loo, waarin onze protagonist Johannes Zanger alles riskeert om zijn geliefde oom Lenny uit de klauwen van het paramilitaire ANP te bevrijden. Een verhaal over vriendschap, liefde en hoogwaardige haarproducten; over persvrijheid, privacy en mannen met ballen van staal.

Hoofdstuk 2b: een onbekende knaap

De kreten van mijn medegevangenen galmen door de kelders van het ANP. Een mannenstem gilt voortdurend dat hij op hypothetische vragen geen antwoord kan geven. Een vrouw een paar cellen verderop jammert dat ze op dit moment ergens geen uitspraak over kan doen. De muren van mijn cel zijn volgekalkt met teksten als FOK HET ANP, NVJ = BLOEDZUIGERS en PAPARAZZIHONDEN AAN DE LIJN.

Honden. Pixie Stardust Chardonnay. Nee, zelfs mijn vaders moordenaar was beter dan de agenten van het ANP. Het enige wat ik haar kon verwijten was dat ze alles als een spelletje zag, en ondanks het feit dat ze mijn vader had afgepakt kon ik geen plezier beleven aan haar einde.

Pixie had bloed geproefd – en piepschuim – en dat maakte haar een risico voor de kinderen uit de buurt en alles wat in schokbestendige verpakkingen zat. De dierenarts kwam langs om haar een spuitje te geven en toen ze was opgehouden met ademen, begroeven we haar samen met mijn vader op het landje achter ons huis. Het was een mooie ceremonie. De buren, die toestemming hadden gegeven om Pixie bij mijn vader te leggen, waren er ook.

Wat ik me vooral herinner is hoe mijn moeder en ome Len door de dood van papa nader tot elkaar kwamen. Zo leek mijn moeder mijn oom minder te haten na de begrafenis, en meed ome Len de plekken waar mama was niet meer zo erg. Hun nachtelijke vechtpartijen gingen onverminderd door, maar ze leken het in de ochtend steeds beter met elkaar te hebben. Aan de ontbijttafel heerste nu een minder gespannen sfeer, en ik begon te wennen aan de voortdurende aanwezigheid van mijn lievelingsoom.

Ik heb geprobeerd mijn cel zo aangenaam mogelijk te maken. Mijn roze onderbroek heb ik om het kale peertje geknoopt, en ik heb een paar mooie tekeningen op de wanden gemaakt, waaronder een van oom Lenny en mijn moeder in de achtertuin, hand in hand bij het graf van Pixie en papa.

Voor het haar van ome Len heb ik een speciale truc. Ik houd mijn potlood schuin en wrijf met de punt over de vloer tot hij zo scherp als een naald is. Voor elke dag dat ik hier zit (wat ik moet afmeten aan keren dat ze me voor verhoor uit mijn cel halen) teken ik een strakke groef op zijn hoofd.

In de nachten ruziede ome Len met mijn moeder, maar de dagen waren van ons. Zo gauw mama naar haar werk was wandelde ik met mijn oom de duinen in. Weer of geen weer, regen, sneeuw of hagel, we waren altijd samen. Het was niet makkelijk om ome Len met mijn moeder te delen, maar hij maakte het in onze dagen samen meer dan goed. Zo zwommen we in de ijskoude Noordzee om onze ballen te harden, en renden we kilometers naakt over het verlaten strand. We speelden tikkertje tussen de pallissaden, bouwden vuurtjes van drijfhout en keken uit over de eindeloos grijze zee. Toen de dagen kouder werden bouwden we hutten en bleven we warm door heel dicht tegen elkaar aan te liggen. Alleen de beste vrienden, zo zei oom Lenny, mochten tegen elkaar aan liggen op een bed van landbouwplastic en helmgras. Hij wreef mijn rug tot ik helemaal warm werd en leerde me wat echte vriendschap betekende. Als het pijn deed, verzekerde hij me dat dat nodig was voor mijn ontwikkeling. Ook hij had ooit een oom die hem alles leerde over echte vriendschap. Nooit voelde een knaap zich zo geliefd als ik. Mijn oom Lenny leerde me alles wat een jongeman moet weten over haarverzorging. En God, wat mis ik hem.

In het begin vroeg ik de bewakers nog om mijn mijn Keune E 1103 Ultra Plyant Remoisturizing Gel, en de geweldige Biosysteme Groove Factor 200, waarmee oom Lenny me op die jonge leeftijd al leerde werken. Ik wilde mijn eigen Zennerkammen, mijn borstel van blond marterhaar en het nachtkapje waarmee ik mijn groeven onder het slapen in het gelid kan houden. Tot tien keer toe gaf ik die mannen alles op een briefje, maar nooit kwam er iets. Na een aantal weken smeekte ik zelfs om een potje Australian Hotwax. Niet eens Murray’s wilden ze voor me halen.

Pas gisteren gooide de bewaker met de stompe neus, die zo te zien ook wel het een en ander van echte vriendschap weet, een bakje briljantine door de klep van mijn deur. Ik dook erop als een wolf op een kuiken.

Omdat er geen spiegel in mijn cel was ging ik op mijn tenen op het bed staan. In het glas van het peertje zou ik mezelf, zij het vervormd, kunnen zien. Ik haalde mijn onderbroek van het lampje af en tuurde in het glas, maar het licht bleek te fel om een glimp van mijn haar op te kunnen vangen. Even dacht ik de oplossing gevonden te hebben: ik kon de lamp natuurlijk losschroeven. Als hij niet meer brandde kon ik mezelf er rustig in bekijken. Net op het moment dat ik het peertje uit de fitting draaide echter, deden de bewakers het licht in mijn cel uit. Dat is dus hoe ver ze gaan. Na een paar uur in het donker besloot ik de Briljantine maar op het gevoel aan te brengen.

Vijf gelukkige jaren hadden we, mijn oom en ik. Tot ik, twee dagen na mijn zeventiende verjaardag, uit school kwam en ome Lenny niet thuis aantrof. Ik wachtte op mijn moeder en vroeg of zij wist waar hij uithing, maar ze wilde er niets over zeggen. Ze leek verdrietig en probeerde me de hele tijd te omhelzen, wat ik als een slecht teken opvatte.

‘Ach mijn jongen’, zei ze. ‘Lieve jongen toch, waarom heb je niets tegen me gezegd?’

Ik begreep er niks van, en toen ze overstuur vertelde dat die man voorgoed uit ons leven zou blijven en dat hij me nooit meer pijn zou kunnen doen, vroeg ik haar verbijsterd over wie ze het had.

‘Ik begrijp het, lieverd’, zei mijn moeder. ‘Je hebt gelijk. We zullen zijn naam hier in huis nooit meer noemen. Het zal zijn alsof hij nooit heeft bestaan.’ Mama opende de keukenla en haalde er een stapeltje polaroids uit, dat ik meteen herkende. Het waren de strandkiekjes van oom Lenny; de plaatjes die we op onze middagen samen gemaakt hadden.

‘O, lieverd’, zei mijn moeder, ‘ik heb ze gevonden. Nu weet ik alles. Ik vind het zo erg, kun je me vergeven? Ik wist het niet, ik wist het gewoon niet.’ Ze opende het deurtje van de houtkachel en gooide het stapeltje in de vlammen. Ik sprong op, stak mijn hand door de opening en trok hem meteen weer terug. De gloeiendhete plaatjes hadden de vingerafdrukken van mijn hand gebrand. Nog steeds is mijn rechteerhand profielloos, en laat ik er alles uit vallen.

‘Je oom’, zei mijn moeder, terwijl ze mijn hand verbond, ‘komt nooit meer terug. Ik hoop dat ze hem vinden en aan de hoogste boom hangen.’

Nu begreep ik er echt niets meer van, maar wat wel doordrong was de stelligheid waarmee mijn moeder me bezwoer dat ik mijn geliefde oom, mijn beste vriend, nooit meer zou zien. Ik had het op de begrafenis van mijn vader droog gehouden; zelfs mijn zwaar verbrande hand was me geen tranen waard, maar bij het idee dat mijn oom voorgoed uit mijn leven was, greep me zo’n eenzaamheid en wanhoop naar de keel dat ik het op een merg- en beenversplinterend krijsen zette. Mijn moeder sloeg haar armen om me heen en bleef herhalen dat het haar speet, maar ik geloofde er niets van. Zij moest mijn oom hebben weggejaagd, en ik haatte haar. Ik zou haar de rest van mijn leven blijven haten.

Niet lang daarna verschenen de eerste berichten in de pers. Leonard von Liechtenstein, boezemvriend van prins Bernhard en veteraan van de slag om Zeewolde, werd gezocht wegens het misbruik van een jongeman. De knaap, verder JZ genoemd, zou over een periode van meer dan vijf jaar lang zijn misbruikt door de Commandeur in de Orde van de Militaire Leeuw. Oom Lenny was op de vlucht, meldde het ANP, maar het zou niet lang duren voor hij gevonden werd.

Ik wilde meteen naar het ANP om te getuigen. Al die verhalen konden niet waar zijn, want de laatste vijf jaar was ome Len elke dag bij mij geweest.

‘Maar’, krijste ik tegen mijn moeder, ‘ik kan hem helpen! Ik kan ome Len helpen, begrijp je dat dan niet?’

‘Lieverd’, zei ze. ‘Je hoeft nergens meer bang voor te zijn. Echt, het is voorbij.’

‘En wie is die jongen dan die dat allemaal over hem zegt? Dat is een vuile leugenaar!’

Mijn moeder pakte de krant af en propte hem in de houtkachel waarin ook mijn dierbare herinneringen aan mijn oom verdwenen waren. ‘Voorlopig’, zei ze, ‘lees jij geen kranten meer. Voorlopig neem jij even rust.’

Ik wilde geen rust. Ik wilde mijn oom, maar hij kwam niet, hij belde niet en schreef geen brieven. Toch was het pas in de derde week van zijn afwezigheid dat ik me de brief herinnerde die hij me gegeven had, de brief die ik in mijn vaders helm had verstopt en die nu, samen met zijn gemangelde lichaam en de ontbindende Pixie Stardust Chardonnay in de achtertuin begraven lag.

[Gilles, 20 februari 2011]


Mijn oom Lenny (2)

February 16, 2011

Een estafetteverhaal in samenwerking met vriend-schrijver Gilles van der Loo, waarin onze protagonist Johannes Zanger alles riskeert om zijn geliefde oom Lenny uit de klauwen van het paramilitaire ANP te bevrijden. Een verhaal over vriendschap, liefde en hoogwaardige haarproducten; over persvrijheid, privacy en mannen met ballen van staal.

Hoofdstuk 2: Een fris gebit is de halve veldslag

Met veel geplons en gespetter word ik overeind getrokken. IJskoud water druipt uit mijn neus en prikt in mijn ogen. Wanneer ik ze opendoe, zie ik twee gemaskerde mannen over me heen leunen. De persagenten, schiet het door me heen. De persagenten! Ze zijn er nog steeds. Het was dus geen nare droom. Nog altijd lig ik vastgebonden op een plank in de kale verhoorkamer. Wat heb ik in godsnaam losgelaten? Heb ik ze verteld over de envelop? Over het grote geheim van oom Lenny? Over mijn vader en zijn helm? Jezus Christus, ik weet het niet meer. Tijdens het waterboarden moet ik even zijn weggedommeld…

Terwijl de persagenten me aan mijn voeten terugslepen naar mijn cel probeer ik zo onopvallend mogelijk te voelen hoe mijn haar zit. Over de glans ben ik niet zeker, maar de groeven voelen nog als vanouds: diep en scherp vanaf de haargrens tot in de nek. Een zucht van opluchting borrelt op uit mijn pijnlijke longen. ‘Stalen ballen, soldaat, stalen ballen’, denk ik bijna hardop. Van mij horen ze niets, al wordt het mijn dood.

Iedere zoon denkt dat zijn vader onsterfelijk is. Ik was daarop geen uitzondering. Hoewel ik ergens best wist dat hij een beetje achterlijk overkwam, was ik er net als ieder ander kind van overtuigd dat mijn vader onoverwinnelijk was. Zo kon hij bijvoorbeeld mooi tekenen. En hij was goed met dieren. Iedere week speelde hij een kaartspelletje met Pixie-Stardust-Chardonnay, de rottweiler van de buren. Niet zelden eindigden die spelletjes in verontwaardigd gekef en een paar gemene bijtwonden, maar mijn vader beet net zo hard terug, want hij had een goed gebit. Hij kauwde op alles. Soms, als hij weer eens was vergeten door te trekken, zag ik in de wc-pot de vermalen resten van lijmdoppen, kindersurprises of een barbie-arm tussen zijn ontlasting drijven. Dat gaf me dan een trots gevoel. Mijn vader is misschien geen oorlogsheld, dacht ik, maar hij durft wel ergens zijn tanden in te zetten.

Ook oom Lenny had vroeger een goed gebit, maar dat hebben de nazi’s eruit geslagen. Een strategische misser, want die actie zette Het Beleg van Oedenrode in gang. Daar leidde oom Lenny, ontsnapt en ontketend, het verzet naar een grote overwinning, waardoor de Waaldelta werd ontsloten voor de geallieerden.

‘Als oom Lenny al zijn tanden nog had gehad, zou je nu op school nog steeds Mein Kampf moeten lezen’, zei mijn moeder altijd als ik klaagde over mijn huiswerk. Dreigend wees ze dan met De Vinger naar het hoofd van de tafel, de plek waar oom Lenny zat als hij op bezoek kwam. Zelf sprak hij nooit over de oorlog. Wanneer die ter sprake kwam, hield hij zijn mond of snoof minachtend boven zijn soep. ‘Ouwe koeien’, mompelde hij dan uiteindelijk, of ‘Wijvenpraat’, wat zo’n beetje hetzelfde was.

Na de oorlog droeg oom Lenny een kunstgebit van authentiek Afrikaans ivoor, afkomstig van een olifant die door prins Bernhard zelf was geschoten. Door zijn snor zag je er bijna niets van. Hij kon er heel grappig mee klapperen, maar verder was hij er erg zuinig op. Ooit, ver voor mijn geboorte, had hij zijn gebit tijdens een weekendje Kanaalzwemmen verloren in een golf Noordzeewater. Zonder pak of zuurstof heeft hij toen 40 meter gedoken om het weer op te vissen. Met bloedende oren en een stralende glimlach kwam hij aan in Dover. ‘s Nachts lagen zijn neptanden altijd in een glas Nicholson’s gin te ontsmetten. Daar was mijn oom heel precies in. ‘Een fris gebit is de halve veldslag’, zei hij altijd en sosm liet hij me de tanden aflikken voordat hij ze in zijn mond stopte. Echt fris smaakte het niet, maar het gaf me wel een warm gevoel van binnen.

Mijn moeder was de enige die de draak durfde te steken met het gebit van oom Lenny. De tandenloze tijger’, noemde ze hem vaak, maar nooit als hij erbij was. Ze waren sowieso bijna nooit tegelijkertijd in dezelfde ruimte, behalve als oom Lenny bleef eten en natuurlijk die ene keer in mijn moeders slaapkamer, toen mijn oom zo hulpeloos geleken had. Verder meed hij mijn moeder als een kat een bak ijswater. Ze had een vreemd soort macht over hem, een donkere magie die hem zijn krachten leek te ontnemen en zijn stalen ballen week maakte. Jong als ik was, zwoer ik dat mij dat nooit zou overkomen.

De enige die op geen enkele manier bevattelijk leek voor de krachten van mijn moeder, was mijn vader. Haar bezweringen, de Vinger, haar allesziende oog en haar straffen troffen hem nooit. Mijn vader kwijlde opgewekt door. Ik bewonderde hem daarom. Hij mocht dan misschien zwakzinnig zijn, maar dat maakte hem ook vrij en onaantastbaar. Daarom wist ik zeker dat de envelop met oom Lenny’s geheim bij mijn vader in goede handen was. Niemand zou onder zijn helm gaan zoeken, hij zelf al helemaal niet. Bovendien ging zijn helm nooit af. Zelfs onder de douche hield hij hem op. Dat was voor zijn eigen bestwil, maar hij wilde zelf ook niet anders. Mijn vader koesterde zijn helm. Hij was eraan gehecht geraakt.

Iedere zoon denkt dat zijn vader onsterfelijk is, en iedere zoon komt er vroeger of later achter dat hij ongelijk had.

De dood van mijn vader kwam vroeg en onverwacht. Ogenschijnlijk was er niets aan de hand: zoals vaak was mijn vader aan het kaarten met Pixie-Stardust-Chardonnay, mijn moeder was boodschappen aan het doen en oom Lenny deed een middagdutje. Ik weet niet meer wat ik aan het doen was, maar ik was boven in de badkamer toen ik een hoog gekerm hoorde. Eerst schonk ik er geen aandacht aan, maar toen de gil zich traploos een octaaf verhoogde – zoals een luchtalarm –sprintte ik naar beneden. In de serre lag mijn vader bloedend op de grond. Zijn nek stond in een rare hoek op zijn schouders en waar zijn hoofd had gezeten, stak nu een bloederige prop van haar en piepschuim half uit de muil van de rottweiler.

‘Los!’, krijste ik, maar de hond zette zich schrap en gromde diep. ‘Lós god-ver-domme!!’ gilde ik nogmaals en greep mijn vader bij de knieholtes. Ik rukte en trok en wrikte, maar het beest gaf geen centimeter toe. ‘Jezus pap! Ga dan ook niet toepen, pap!’ jammerde ik tegen de bloedprop. ‘Ga dan godverdomme iets anders doen pap. Een ander spelletje!’ Met mijn laatste krachten gaf ik een wanhopige ruk en hoorde een luide knak. Het lichaam van mijn vader verslapte, en de hond liet eindelijk los. Voldaan ging het beest naast het lijk liggen. Hij had zijn punt gemaakt: Pixie-Stardust-Chardonnay had het beste gebit van allemaal.

(Arjen van Lith)


Mijn oom Lenny (1)

February 16, 2011
Een estafetteverhaal in samenwerking met vriend-schrijver Gilles van der Loo, waarin onze protagonist Johannes Zanger alles riskeert om zijn geliefde oom Lenny uit de klauwen van het paramilitaire ANP te bevrijden. Een verhaal over vriendschap, liefde en hoogwaardige haarproducten; over persvrijheid, privacy en mannen met ballen van staal.

Hoofdstuk 1: Een echte man rent nooit

‘Een man’, zei mijn oom Lenny terwijl achter hem het grijsgroene helmgras platwaaide tegen de duinen, ‘staat altijd rechtop.’ Hij zette de hakken van zijn roodwitte pennyloafers in het rulle zand en haalde een hand over zijn haar, dat glansde als een verse elpee en in even strakke groeven gekamd was. De panden van zijn jasje flapperden in de straffe wind. Oom Lenny schoof zijn duimen achter  de gesp van zijn slangenleren riem en leunde met zijn pelvis naar voren, cowboy-stijl: ‘En als ze wat te zeiken hebben dan moeten ze maar komen.’

De lage zon scheen in de glazen van zijn YSL en ketste vandaar in mijn ogen, die spontaan begonnen te tranen; ome Lens contouren werden vager en vager. Ik knipperde als een bezetene om het vocht te verdrijven.

‘Jongen’, zei hij, en zakte door zijn hurken, ‘nu moet je goed naar me luisteren.’ Zijn snor was opeens heel dichtbij; zijn adem rook als de zee: oud, vissig, en met een subtiele noot van meeuwenkak. Oom Lenny stond bekend om wat zijn makkers uit het verzet als eersten De Blik zijn gaan noemen. Priemend en toch onscherp, rustend op een onzichtbaar punt tussen zijn scheefgeslagen neus en de horizon, kon De Blik je tegelijkertijd het gevoel geven mijn ooms absolute aandacht te hebben en die aandacht ook niet waard te zijn. Sinds kort was ik zelf begonnen de Blik te oefenen, en op mijn moeder na lukte het bij iedereen, al hadden ze me op school in elkaar geslagen en had een dikke man op straat me flikker genoemd.

Ome Lenny haalde een envelop uit de binnenzak van zijn jasje en drukte die met twee handen op mijn borst. Ik rook de glycerinecrème waarmee hij zijn vingers altijd insmeerde. ‘In deze envelop’, zei hij, ‘zit mijn grootste geheim. Begrijp je dat?’

Ik knikte omdat het me gezien de ernst in zijn stem beter leek, maar wist niet waar hij het over had.

‘Dit geheim’, vervolgde hij, ‘vertrouw ik aan jou toe. Bewaak het met je leven.’ Bij het uitspreken van het woord leven liet hij de envelop los, waardoor hij tussen mijn voeten in het zand viel. Ik wilde bukken om hem op te rapen, maar mijn oom hield me tegen. Hij zette zijn zonnebril af en verdiepte De Blik. Een rilling liep langs mijn wervelkolom. ‘Kun je ervoor zorgen’, zei hij, ‘dat niemand deze brief in handen krijgt?’

Voor ik kon zeggen dat ik dat niet durfde te beloven gebeurde het: oom Lenny rechtte zijn rug, klikte met de hakken van zijn loafers en salueerde me. Ik, Johannes Zanger, elf jaar oud, werd gesalueerd door Leonard von Liechtenstein, boezemvriend van prins Bernhard, oorlogsheld en veteraan van de slag om Veghel. Zonder waarschuwing begonnen de tranen over mijn wangen te rollen. Dit, besloot ik, was het mooiste moment van mijn leven.

In de verte, achter het duin, ging de dinerbel. Aangezien het macaroni-avond was wilde ik meteen gaan lopen, maar oom Lenny hield me tegen.

‘Nee’, zei hij. ‘Je moet je nooit laten pushen. Een man bepaalt zelf wanneer hij gaat en een man – een échte man – rent nooit.’

Ik dacht aan mijn vader, die elke ochtend weer de deur uit sprintte om de bus te halen, en knikte. Nooit meer zou ik rennen, voor niets en niemand zou ik mijn pas versnellen. Als bewaker van het grootste geheim van oom Lenny, die tenslotte drager van de militaire Willemsorde en recordhoudend neushoornjager was, zou ik me door niemand de les laten lezen. Ik klikte zo goed en zo kwaad als het ging met de hakken van mijn Kickers, salueerde mijn oom en hield mijn armen strak langs mijn zij. Oom Lenny pakte me bij mijn schouders, draaide me om en kwam naast me staan. Samen stonden we aan de vloedlijn, uitkijkend over zee, naar de meeuwen die – zilverglanzend in het avondlicht – duikvluchten maakten, hun schaduwen als snorren op de golven. Oom Lenny spoog op de grond.

‘Kutbeesten.’

Ik schraapte mijn keel en wilde een grote kwak vlak naast de zijne leggen, maar mijn speeksel was te dik en bleef aan mijn lippen plakken. Een lange draad hing tussen mijn kin en mijn trui.

‘Geeft niks, jongen’, zei mijn oom. Losjes kwam zijn hand op mijn onderrug te rusten.

‘Ome Len?’

‘Ja jongen?’ Een golf sloeg over zijn loafers, maar hij gaf geen krimp.

‘Mogen we al naar huis?’

Hij leek me niet te horen. De Blik reikte over de golven tot aan Engeland, tot Amerika of om de hele wereld heen tot aan onze eigen achterhoofden. ‘Hier ben ik’, fluisterde hij. ‘Kom dan.’

Hij moet hebben voorvoeld wat ons te wachten stond. Zo was mijn oom: het noodlot staarde hij recht in de ogen. Soms wou ik dat hij dat niet had gedaan.

‘Ome Len’, zei ik, ‘ik heb best wel honger?’

Mijn oom liet de Blik varen en keek me aan. Ik voelde iets koels, droogs van achteren mijn broek in glijden. De enveloppe. Zijn knipoog viel samen met de tweede bel voor het eten.

‘Je bent een soldaat’, zei hij. ‘Op een dag zal het lot van het land op deze schouders rusten.’ Hij pakte me stevig bij de bedoelde schouders en drukte me een paar centimeter de grond in. ‘En hier’, zei hij, terwijl hij mijn ballen – toen niet meer dan knikkers – door de stof van mijn zwembroek beetpakte. ‘Wat zijn dit?’

‘Mijn ballen’, zei ik.

‘Wat zeg je, SOLDAAT?’

‘MIJN BALLEN.’

‘Zeker weten’, zei mijn oom. ‘Jij hebt stalen ballen. Net als je oom, net als je vader.’

Ik vond het moeilijk mijn vader te zien als iemand met stalen ballen. Tot op dat moment was ik er vanuit gegaan dat oom Lenny en ik – en misschien mijn moeder – in onze familie de stalen ballen hadden.

Bij onze thuiskomst haalde mijn moeder – een sigaret tussen haar tanden – de macaronischotel uit de oven. Toen het dampende gevaarte op het aanrecht stond schudde ze haar handen tot de wanten eraf vielen en richtte haar wijsvinger op oom Lenny. Mijn moeders wijsvinger, oorspronkelijk gebruikt om schuld toe te wijzen, was met de jaren verworden tot een soort oom Lennydetector. Als mijn oom op bezoek was kon je hem ten allen tijde vinden door De Vinger te volgen, alsof een onzichtbaar draadje haar nagel met de kraag van zijn overhemd verbond.

‘Jij’, zei ze, ‘handen wassen en onmiddellijk aan tafel. Ik sta niet voor de kat zijn kut te koken.’

Ome Len haalde zijn manchetten los en stroopte zijn mouwen op. De knopen waren ivoren olifantjes die hij na een doevakantie in Tanzania van zijn vriend Bernhard gekregen had, en ik wilde niets liever dan die guitige beestjes aanraken, maar mijn moeder tikte op mijn hand en zette me bij mijn vader aan tafel.

Papa, zijn piepschuimen helm als altijd strak onder zijn kin gesnoerd, leunde over de voorpagina van de krant en las de koppen – zoals zijn gewoonte was – door zijn vinger op een letter te zetten en die heel aandachtig uit te spreken.

‘Recessie’, las ik.

Mijn vader knikte, verschoof zijn vinger een letter en zei: ‘Essss.’

Bij later inzien was papa misschien verstandelijk beperkt, maar toen ik jong was bekeek ik dat niet zo. Als erve van het octrooi op de Wislovskykleerhanger onderhield hij zijn gezin zonder problemen, en ook al hoefde hij niet voor zijn geld te werken: hij haastte zich elke ochtend de deur uit om bus 32 te halen, waar de chauffeur al sinds zijn kindertijd de stoel bij de ingang voor hem vrijhield.

Ik wist dat ze Papa in het dorp Hellempie noemden, maar zag daar geen kwaad in. Het was alleen maar handig. In de avond, als ik hem bij de halte ging halen, wist ik meteen welke bus eraan kwam door het silhouet van een levensgroot Legomannetje dat naast de bestuurder zat.

Terwijl we aten kon ik aan niets anders denken dan de envelop met ome Lenny’s grote geheim; de envelop die in mijn broeksband zat en waarvoor ik een veilige plek moest zien te vinden. Ik dacht en dacht en dacht, maar waar in huis zou niemand kijken? Wat bleef nou altijd op zijn plek?

Terwijl mijn moeder oom Lenny doorzaagde over zijn slechte vrienden, zijn banden met het koningshuis en zijn – volgens haar – opgeblazen rol in het ontzet van Oss, keek ik koortsachtig om me heen: de keukenkastjes, de plantenbakken in het raam, de laden en planken van de voorraadkast… niets zou ontsnappen aan mijn moeders oog. Nergens zou het geheim van ome Len veilig blijven.

Toen de macaroni op was viel mijn vader als altijd met zijn hoofd op zijn bord in slaap. Ik at mijn komkommersla en staarde naar de groeven in het piepschuim van zijn helm, naar de butsen en krassen die ik al mijn hele leven kende. Nooit zou ik een plek vinden om mijn brief op te bergen die zo veilig was, die zo gegarandeerd onder mijn moeders radar zou blijven en zo onverwoestbaar was als…

Die nacht, toen ik dacht dat iedereen sliep, opende ik zo stil mogelijk de deur van mijn slaapkamer. Met de brief van oom Lenny opgerold in mijn vuist sloop ik langs mijn moeders deur, die op een kier stond. Toen ik er bijna voorbij was werd mijn aandacht getrokken door wat ik in latere nachtmerries de Vreemde Geluiden ben gaan noemen.

Waarom gaf ik mijn missie geen voorrang boven mijn nieuwsgierigheid? Waarom stopte ik, en hoe kon ik mijn moeders slaapkamerdeur verder openduwen om te zien wat die geluiden veroorzaakte?

Oom Lenny’s ballen, zo zonder kleren, zagen er helemaal niet uit alsof ze van staal waren. Ze lagen er eerder zacht en verrassend haarloos bij. Ome Len bleek helemaal zacht en haarloos en mijn moeder, die ook geen kleren aanhad, leek aan de winnende hand. Bovenop mijn oom gezeten ramde ze hem als een bezetene met haar billen tegen het bed. Oom Lenny – die zich duidelijk al gewonnen had gegeven – jammerde vreselijk, maar mijn moeder ging door. Een deel van me wilde mijn oom te hulp schieten en een ander deel vreesde dat mijn moeder dan hetzelfde met mij zou doen. Ik zette een stap terug, waardoor de vloer kraakte. Mijn moeder draaide zich met een ruk om en stapte van oom Lenny af. In drie passen stond ze voor me, De Vinger in mijn gezicht, en verzekerde me dat als ik ooit-mijn-bek-zou-opendoen-over-wat-ik-hier-gezien-had-mijn-vader-een-gruwelijke-dood-zou-sterven-en-dat-dat-dan-mijn-schuld-zou-zijn. Ik zette het op een rennen. Mijn moeder volgde me de gang op, maar kwam me niet achterna toen ik mijn vaders slaapkamer indook en de deur achter me dichttrok.

Noch het slaan van de deur, noch mijn hijgende aanwezigheid in zijn kamer leken tot mijn vader door te dringen. Hij lag uitgeteld in zijn bed onder het kleurige mobile dat oom Lenny ooit voor hem gemaakt had. Zonder verder te wachten of de kust veilig was maakte ik het bandje van zijn helm los en schoof de brief tussen het piepschuim en mijn vaders schedel. Met trillende vingers trok ik het bandje weer aan; ik wreef over de klittenband en liet mijn slapende vader alleen.

(Gilles van der Loo)


Egypte

February 4, 2011

Illustratie: Arjen van Lith

Vannacht met het live-stream getetter van Aljazeera in mijn oren een wallpaper gemaakt over de revolutie in Egypte.

 

UPDATE March 19, 2014: Today I removed the hi-res download options from this blogpost. This is long overdue. After my initial enthusiasm for the so-called Arab Spring revolution in Egypt, things have gotten so far sideways (from a humanitarian point of view) that i no longer wish to associate myself with the political turmoil in Egypt. I hope you understand my motives.

If you are using my artwork about the Egyptian revolution, I kindly request to remove it from your website, print issues or other publications. Thanks in advance!

Arjen


Julian

December 14, 2010

Illustratie: Arjen van Lith

Here’s two portraits I made of the Man of the Year Julian Assange.

Please feel free to use and distribute them as you see fit:

Hero (.pdf)

Leak! (.pdf)

Hero Hi-Res (.jpg)

Leak! Hi-Res (.jpg)



Open brief aan hulpbisschop Mutsaerts

September 23, 2010

Amsterdam, 23 september 2010

Monseigneur,

Het heeft even geduurd voordat ik de moed kon opbrengen om u te schrijven. Ik wist niet zeker of het veilig was. Nu pas, ruim een maand na alle commotie in de pers over uw vergelijking van moslims met de smurfen, durf ik het aan om me tot u te richten, want onvermijdelijk komt er een moment dat we onze verantwoordelijkheden moeten nemen.

Op 14 maart 2008 publiceerde ik het stuk Open brief aan de taliban in het tijdschrift Opinio, een uitgave die inmiddels niet meer bestaat. Centraal in die brief stond een vergelijking tussen de taliban en de smurfen, die naast veel verschillen ook opvallend veel overeenkomsten vertonen.

Ik was het artikel allang weer vergeten, maar bij u is het duidelijk blijven hangen: op 7 april 2008 nam u zonder mijn toestemming grote delen van mijn Open Brief over op uw – inmiddels verwijderde – webcolumn Groene Pepers. Erger nog: u beging de kapitale fout door in die passages het cruciale woord ‘taliban’ te vervangen door ‘moslim’. Daarmee heeft u een treffend contrast tussen een religieus-extremistische terreurgroep enerzijds en het zingende, vrolijk rondhopsende smurfenvolk anderzijds veranderd in een verwrongen metafoor die kant noch wal raakt. Ik wil niemand op ideeën brengen, maar hoe zou u het vinden als ik de bijbel neem en ‘Jezus’ steeds verander in ‘Gordon’? Smakeloosheid is een zonde, ook voor een pas gewijde hulpbisschop.

Bovendien heeft u, over de rug van mijn woorden, een wereldbeeld van onverdraagzaamheid opgeroepen waar ik me voor geen prijs achter wil scharen. Ik distantieer me volledig van uw vergelijking tussen moslims en smurfen en laat deze geheel voor uw rekening.

Toen blogger Remco van Mulligen van Beautiful Blues, het katholieke tijdschrift VolZin, het links-pamflettistische Doorbraak en Trouw lucht kregen van uw gesmurf, haastte u zich om te verklaren dat de gewraakte vergelijking niet van u was. In een behendige draai verruilde u zo het ene vergrijp (belediging van andersgelovigen) voor het andere (plagiaat/tekstueel misbruik), maar Grote Smurf weet dat u schuldig bent aan beide.

Monseigneur, het is tijd om verantwoordelijkheid te nemen. Met uw aanranding van mijn artikel en de commotie die u daarmee veroorzaakte, heeft u mijn reputatie hoe dan ook beschadigd. Daar komt bij dat ik me sinds vijf weken in toenemende mate opgejaagd voel. Ik kijk over mijn schouder en logeer op steeds wisselende adressen. Een vluchtige lezer zou mij per abuis kunnen aanzien voor een islamhater, met alle mogelijke gevolgen van dien. Enfin, u weet zelf beter dan ik dat een oneigenlijk verband gauw is gelegd. Daarom verlang ik zuivering van u. Zuivering van mijn naam door een welgemeend mea culpa of door een herpublicatie van uw oorspronkelijke smurfencolumn in een medium naar uw keuze, zodat duidelijk wordt hoe hoog de schrijver in u zijn beroepseer in het vaandel draagt. En doet u het alstublieft niet alleen voor mij, voor de smurfen of de moslims, maar vooral ook voor uw eigen gemoedsrust. Hoewel een aards oordeel onafwendbaar lijkt, rest u nog tijd voordat het hemelse u treft.

In afwachting van uw reactie,

Arjen van Lith

Deze brief is op 23 september 2010 gepubliceerd op het weblog Beautiful Blues van blogger Remco van Mulligen, die eerder aandacht besteedde aan de politieke opvattingen van hulpbisschop Mutsaerts.