Mijn oom Lenny (1)

February 16, 2011
Een estafetteverhaal in samenwerking met vriend-schrijver Gilles van der Loo, waarin onze protagonist Johannes Zanger alles riskeert om zijn geliefde oom Lenny uit de klauwen van het paramilitaire ANP te bevrijden. Een verhaal over vriendschap, liefde en hoogwaardige haarproducten; over persvrijheid, privacy en mannen met ballen van staal.

Hoofdstuk 1: Een echte man rent nooit

‘Een man’, zei mijn oom Lenny terwijl achter hem het grijsgroene helmgras platwaaide tegen de duinen, ‘staat altijd rechtop.’ Hij zette de hakken van zijn roodwitte pennyloafers in het rulle zand en haalde een hand over zijn haar, dat glansde als een verse elpee en in even strakke groeven gekamd was. De panden van zijn jasje flapperden in de straffe wind. Oom Lenny schoof zijn duimen achter  de gesp van zijn slangenleren riem en leunde met zijn pelvis naar voren, cowboy-stijl: ‘En als ze wat te zeiken hebben dan moeten ze maar komen.’

De lage zon scheen in de glazen van zijn YSL en ketste vandaar in mijn ogen, die spontaan begonnen te tranen; ome Lens contouren werden vager en vager. Ik knipperde als een bezetene om het vocht te verdrijven.

‘Jongen’, zei hij, en zakte door zijn hurken, ‘nu moet je goed naar me luisteren.’ Zijn snor was opeens heel dichtbij; zijn adem rook als de zee: oud, vissig, en met een subtiele noot van meeuwenkak. Oom Lenny stond bekend om wat zijn makkers uit het verzet als eersten De Blik zijn gaan noemen. Priemend en toch onscherp, rustend op een onzichtbaar punt tussen zijn scheefgeslagen neus en de horizon, kon De Blik je tegelijkertijd het gevoel geven mijn ooms absolute aandacht te hebben en die aandacht ook niet waard te zijn. Sinds kort was ik zelf begonnen de Blik te oefenen, en op mijn moeder na lukte het bij iedereen, al hadden ze me op school in elkaar geslagen en had een dikke man op straat me flikker genoemd.

Ome Lenny haalde een envelop uit de binnenzak van zijn jasje en drukte die met twee handen op mijn borst. Ik rook de glycerinecrème waarmee hij zijn vingers altijd insmeerde. ‘In deze envelop’, zei hij, ‘zit mijn grootste geheim. Begrijp je dat?’

Ik knikte omdat het me gezien de ernst in zijn stem beter leek, maar wist niet waar hij het over had.

‘Dit geheim’, vervolgde hij, ‘vertrouw ik aan jou toe. Bewaak het met je leven.’ Bij het uitspreken van het woord leven liet hij de envelop los, waardoor hij tussen mijn voeten in het zand viel. Ik wilde bukken om hem op te rapen, maar mijn oom hield me tegen. Hij zette zijn zonnebril af en verdiepte De Blik. Een rilling liep langs mijn wervelkolom. ‘Kun je ervoor zorgen’, zei hij, ‘dat niemand deze brief in handen krijgt?’

Voor ik kon zeggen dat ik dat niet durfde te beloven gebeurde het: oom Lenny rechtte zijn rug, klikte met de hakken van zijn loafers en salueerde me. Ik, Johannes Zanger, elf jaar oud, werd gesalueerd door Leonard von Liechtenstein, boezemvriend van prins Bernhard, oorlogsheld en veteraan van de slag om Veghel. Zonder waarschuwing begonnen de tranen over mijn wangen te rollen. Dit, besloot ik, was het mooiste moment van mijn leven.

In de verte, achter het duin, ging de dinerbel. Aangezien het macaroni-avond was wilde ik meteen gaan lopen, maar oom Lenny hield me tegen.

‘Nee’, zei hij. ‘Je moet je nooit laten pushen. Een man bepaalt zelf wanneer hij gaat en een man – een échte man – rent nooit.’

Ik dacht aan mijn vader, die elke ochtend weer de deur uit sprintte om de bus te halen, en knikte. Nooit meer zou ik rennen, voor niets en niemand zou ik mijn pas versnellen. Als bewaker van het grootste geheim van oom Lenny, die tenslotte drager van de militaire Willemsorde en recordhoudend neushoornjager was, zou ik me door niemand de les laten lezen. Ik klikte zo goed en zo kwaad als het ging met de hakken van mijn Kickers, salueerde mijn oom en hield mijn armen strak langs mijn zij. Oom Lenny pakte me bij mijn schouders, draaide me om en kwam naast me staan. Samen stonden we aan de vloedlijn, uitkijkend over zee, naar de meeuwen die – zilverglanzend in het avondlicht – duikvluchten maakten, hun schaduwen als snorren op de golven. Oom Lenny spoog op de grond.

‘Kutbeesten.’

Ik schraapte mijn keel en wilde een grote kwak vlak naast de zijne leggen, maar mijn speeksel was te dik en bleef aan mijn lippen plakken. Een lange draad hing tussen mijn kin en mijn trui.

‘Geeft niks, jongen’, zei mijn oom. Losjes kwam zijn hand op mijn onderrug te rusten.

‘Ome Len?’

‘Ja jongen?’ Een golf sloeg over zijn loafers, maar hij gaf geen krimp.

‘Mogen we al naar huis?’

Hij leek me niet te horen. De Blik reikte over de golven tot aan Engeland, tot Amerika of om de hele wereld heen tot aan onze eigen achterhoofden. ‘Hier ben ik’, fluisterde hij. ‘Kom dan.’

Hij moet hebben voorvoeld wat ons te wachten stond. Zo was mijn oom: het noodlot staarde hij recht in de ogen. Soms wou ik dat hij dat niet had gedaan.

‘Ome Len’, zei ik, ‘ik heb best wel honger?’

Mijn oom liet de Blik varen en keek me aan. Ik voelde iets koels, droogs van achteren mijn broek in glijden. De enveloppe. Zijn knipoog viel samen met de tweede bel voor het eten.

‘Je bent een soldaat’, zei hij. ‘Op een dag zal het lot van het land op deze schouders rusten.’ Hij pakte me stevig bij de bedoelde schouders en drukte me een paar centimeter de grond in. ‘En hier’, zei hij, terwijl hij mijn ballen – toen niet meer dan knikkers – door de stof van mijn zwembroek beetpakte. ‘Wat zijn dit?’

‘Mijn ballen’, zei ik.

‘Wat zeg je, SOLDAAT?’

‘MIJN BALLEN.’

‘Zeker weten’, zei mijn oom. ‘Jij hebt stalen ballen. Net als je oom, net als je vader.’

Ik vond het moeilijk mijn vader te zien als iemand met stalen ballen. Tot op dat moment was ik er vanuit gegaan dat oom Lenny en ik – en misschien mijn moeder – in onze familie de stalen ballen hadden.

Bij onze thuiskomst haalde mijn moeder – een sigaret tussen haar tanden – de macaronischotel uit de oven. Toen het dampende gevaarte op het aanrecht stond schudde ze haar handen tot de wanten eraf vielen en richtte haar wijsvinger op oom Lenny. Mijn moeders wijsvinger, oorspronkelijk gebruikt om schuld toe te wijzen, was met de jaren verworden tot een soort oom Lennydetector. Als mijn oom op bezoek was kon je hem ten allen tijde vinden door De Vinger te volgen, alsof een onzichtbaar draadje haar nagel met de kraag van zijn overhemd verbond.

‘Jij’, zei ze, ‘handen wassen en onmiddellijk aan tafel. Ik sta niet voor de kat zijn kut te koken.’

Ome Len haalde zijn manchetten los en stroopte zijn mouwen op. De knopen waren ivoren olifantjes die hij na een doevakantie in Tanzania van zijn vriend Bernhard gekregen had, en ik wilde niets liever dan die guitige beestjes aanraken, maar mijn moeder tikte op mijn hand en zette me bij mijn vader aan tafel.

Papa, zijn piepschuimen helm als altijd strak onder zijn kin gesnoerd, leunde over de voorpagina van de krant en las de koppen – zoals zijn gewoonte was – door zijn vinger op een letter te zetten en die heel aandachtig uit te spreken.

‘Recessie’, las ik.

Mijn vader knikte, verschoof zijn vinger een letter en zei: ‘Essss.’

Bij later inzien was papa misschien verstandelijk beperkt, maar toen ik jong was bekeek ik dat niet zo. Als erve van het octrooi op de Wislovskykleerhanger onderhield hij zijn gezin zonder problemen, en ook al hoefde hij niet voor zijn geld te werken: hij haastte zich elke ochtend de deur uit om bus 32 te halen, waar de chauffeur al sinds zijn kindertijd de stoel bij de ingang voor hem vrijhield.

Ik wist dat ze Papa in het dorp Hellempie noemden, maar zag daar geen kwaad in. Het was alleen maar handig. In de avond, als ik hem bij de halte ging halen, wist ik meteen welke bus eraan kwam door het silhouet van een levensgroot Legomannetje dat naast de bestuurder zat.

Terwijl we aten kon ik aan niets anders denken dan de envelop met ome Lenny’s grote geheim; de envelop die in mijn broeksband zat en waarvoor ik een veilige plek moest zien te vinden. Ik dacht en dacht en dacht, maar waar in huis zou niemand kijken? Wat bleef nou altijd op zijn plek?

Terwijl mijn moeder oom Lenny doorzaagde over zijn slechte vrienden, zijn banden met het koningshuis en zijn – volgens haar – opgeblazen rol in het ontzet van Oss, keek ik koortsachtig om me heen: de keukenkastjes, de plantenbakken in het raam, de laden en planken van de voorraadkast… niets zou ontsnappen aan mijn moeders oog. Nergens zou het geheim van ome Len veilig blijven.

Toen de macaroni op was viel mijn vader als altijd met zijn hoofd op zijn bord in slaap. Ik at mijn komkommersla en staarde naar de groeven in het piepschuim van zijn helm, naar de butsen en krassen die ik al mijn hele leven kende. Nooit zou ik een plek vinden om mijn brief op te bergen die zo veilig was, die zo gegarandeerd onder mijn moeders radar zou blijven en zo onverwoestbaar was als…

Die nacht, toen ik dacht dat iedereen sliep, opende ik zo stil mogelijk de deur van mijn slaapkamer. Met de brief van oom Lenny opgerold in mijn vuist sloop ik langs mijn moeders deur, die op een kier stond. Toen ik er bijna voorbij was werd mijn aandacht getrokken door wat ik in latere nachtmerries de Vreemde Geluiden ben gaan noemen.

Waarom gaf ik mijn missie geen voorrang boven mijn nieuwsgierigheid? Waarom stopte ik, en hoe kon ik mijn moeders slaapkamerdeur verder openduwen om te zien wat die geluiden veroorzaakte?

Oom Lenny’s ballen, zo zonder kleren, zagen er helemaal niet uit alsof ze van staal waren. Ze lagen er eerder zacht en verrassend haarloos bij. Ome Len bleek helemaal zacht en haarloos en mijn moeder, die ook geen kleren aanhad, leek aan de winnende hand. Bovenop mijn oom gezeten ramde ze hem als een bezetene met haar billen tegen het bed. Oom Lenny – die zich duidelijk al gewonnen had gegeven – jammerde vreselijk, maar mijn moeder ging door. Een deel van me wilde mijn oom te hulp schieten en een ander deel vreesde dat mijn moeder dan hetzelfde met mij zou doen. Ik zette een stap terug, waardoor de vloer kraakte. Mijn moeder draaide zich met een ruk om en stapte van oom Lenny af. In drie passen stond ze voor me, De Vinger in mijn gezicht, en verzekerde me dat als ik ooit-mijn-bek-zou-opendoen-over-wat-ik-hier-gezien-had-mijn-vader-een-gruwelijke-dood-zou-sterven-en-dat-dat-dan-mijn-schuld-zou-zijn. Ik zette het op een rennen. Mijn moeder volgde me de gang op, maar kwam me niet achterna toen ik mijn vaders slaapkamer indook en de deur achter me dichttrok.

Noch het slaan van de deur, noch mijn hijgende aanwezigheid in zijn kamer leken tot mijn vader door te dringen. Hij lag uitgeteld in zijn bed onder het kleurige mobile dat oom Lenny ooit voor hem gemaakt had. Zonder verder te wachten of de kust veilig was maakte ik het bandje van zijn helm los en schoof de brief tussen het piepschuim en mijn vaders schedel. Met trillende vingers trok ik het bandje weer aan; ik wreef over de klittenband en liet mijn slapende vader alleen.

(Gilles van der Loo)

Advertisements

Egypte

February 4, 2011

Illustratie: Arjen van Lith

Vannacht met het live-stream getetter van Aljazeera in mijn oren een wallpaper gemaakt over de revolutie in Egypte.

 

UPDATE March 19, 2014: Today I removed the hi-res download options from this blogpost. This is long overdue. After my initial enthusiasm for the so-called Arab Spring revolution in Egypt, things have gotten so far sideways (from a humanitarian point of view) that i no longer wish to associate myself with the political turmoil in Egypt. I hope you understand my motives.

If you are using my artwork about the Egyptian revolution, I kindly request to remove it from your website, print issues or other publications. Thanks in advance!

Arjen


Julian

December 14, 2010

Illustratie: Arjen van Lith

Here’s two portraits I made of the Man of the Year Julian Assange.

Please feel free to use and distribute them as you see fit:

Hero (.pdf)

Leak! (.pdf)

Hero Hi-Res (.jpg)

Leak! Hi-Res (.jpg)



Open brief aan hulpbisschop Mutsaerts

September 23, 2010

Amsterdam, 23 september 2010

Monseigneur,

Het heeft even geduurd voordat ik de moed kon opbrengen om u te schrijven. Ik wist niet zeker of het veilig was. Nu pas, ruim een maand na alle commotie in de pers over uw vergelijking van moslims met de smurfen, durf ik het aan om me tot u te richten, want onvermijdelijk komt er een moment dat we onze verantwoordelijkheden moeten nemen.

Op 14 maart 2008 publiceerde ik het stuk Open brief aan de taliban in het tijdschrift Opinio, een uitgave die inmiddels niet meer bestaat. Centraal in die brief stond een vergelijking tussen de taliban en de smurfen, die naast veel verschillen ook opvallend veel overeenkomsten vertonen.

Ik was het artikel allang weer vergeten, maar bij u is het duidelijk blijven hangen: op 7 april 2008 nam u zonder mijn toestemming grote delen van mijn Open Brief over op uw – inmiddels verwijderde – webcolumn Groene Pepers. Erger nog: u beging de kapitale fout door in die passages het cruciale woord ‘taliban’ te vervangen door ‘moslim’. Daarmee heeft u een treffend contrast tussen een religieus-extremistische terreurgroep enerzijds en het zingende, vrolijk rondhopsende smurfenvolk anderzijds veranderd in een verwrongen metafoor die kant noch wal raakt. Ik wil niemand op ideeën brengen, maar hoe zou u het vinden als ik de bijbel neem en ‘Jezus’ steeds verander in ‘Gordon’? Smakeloosheid is een zonde, ook voor een pas gewijde hulpbisschop.

Bovendien heeft u, over de rug van mijn woorden, een wereldbeeld van onverdraagzaamheid opgeroepen waar ik me voor geen prijs achter wil scharen. Ik distantieer me volledig van uw vergelijking tussen moslims en smurfen en laat deze geheel voor uw rekening.

Toen blogger Remco van Mulligen van Beautiful Blues, het katholieke tijdschrift VolZin, het links-pamflettistische Doorbraak en Trouw lucht kregen van uw gesmurf, haastte u zich om te verklaren dat de gewraakte vergelijking niet van u was. In een behendige draai verruilde u zo het ene vergrijp (belediging van andersgelovigen) voor het andere (plagiaat/tekstueel misbruik), maar Grote Smurf weet dat u schuldig bent aan beide.

Monseigneur, het is tijd om verantwoordelijkheid te nemen. Met uw aanranding van mijn artikel en de commotie die u daarmee veroorzaakte, heeft u mijn reputatie hoe dan ook beschadigd. Daar komt bij dat ik me sinds vijf weken in toenemende mate opgejaagd voel. Ik kijk over mijn schouder en logeer op steeds wisselende adressen. Een vluchtige lezer zou mij per abuis kunnen aanzien voor een islamhater, met alle mogelijke gevolgen van dien. Enfin, u weet zelf beter dan ik dat een oneigenlijk verband gauw is gelegd. Daarom verlang ik zuivering van u. Zuivering van mijn naam door een welgemeend mea culpa of door een herpublicatie van uw oorspronkelijke smurfencolumn in een medium naar uw keuze, zodat duidelijk wordt hoe hoog de schrijver in u zijn beroepseer in het vaandel draagt. En doet u het alstublieft niet alleen voor mij, voor de smurfen of de moslims, maar vooral ook voor uw eigen gemoedsrust. Hoewel een aards oordeel onafwendbaar lijkt, rest u nog tijd voordat het hemelse u treft.

In afwachting van uw reactie,

Arjen van Lith

Deze brief is op 23 september 2010 gepubliceerd op het weblog Beautiful Blues van blogger Remco van Mulligen, die eerder aandacht besteedde aan de politieke opvattingen van hulpbisschop Mutsaerts.


Het politieke dier

March 15, 2010

Een succesvolle politicus trekt de poorten van het Binnenhof definitief achter zich dicht en kiest voor zijn gezin. Hoe zal zijn leven eruit gaan zien? Een verslag over een dag uit het nieuwe leven van een Haagse uitgetredene.

Illustratie: Arjen van Lith

 

09:15 uur.
Het politieke dier zit in een grijze joggingbroek en een vaal T-shirt op de bank. Aan zijn voeten draagt hij witte sportsokken en donkerblauwe campingslippers. Het politieke dier is ongeschoren, want hij hoeft toch nergens naartoe. Recht voor hem staat zijn echtgenote haar tas in te pakken, pal in beeld van RTLZ. Ze is laat. Haar nog ongekamde achterhoofd pulseert van de ergernis, maar waarover precies, dat ontgaat het politieke dier. Kan van alles zijn. Hij pakt de afstandsbediening van zijn knie en zet – dwars door haar heen –  het volume harder. De koersen dalen.

11:20 uur.
‘Voor de kinderen’, antwoordt de badkamerspiegel. Het buikje is nu een buik. Beide tepels hangen in slappe puntzakken tegen zijn borst. Waar ooit zijn bejubelde draaikontje zat, ziet het politieke dier nu een zware, lillende massa onder een asblonde laag lichaamshaar. Van top tot teen grijs geworden.
‘Je ging weg uit de politiek voor de kinderen’, herhaalt hij, ditmaal hardop. Zijn stem weerkaatst tegen de betegeling. Het politieke dier checkt zijn tandvlees en begint traag te flossen.
De kinderen hebben een drukker leven dan hij, denkt hij, terwijl de wasdraad langs zijn hoektand zaagt. Zwemmen, blokfluiten, multiculturele voorleesmiddag, fietsles, baby-yoga… Ze zijn nooit thuis.
‘Voor je vrouw dan’, probeert zijn spiegelbeeld. Het politieke dier spuugt bloed in de wasbak.

14:50 uur.
In Amsterdam-Noord heb je altijd tegenwind. Dat vertellen ze er in de makelaarsbrochure niet bij, maar als je goed kijkt, zie je het aan de bewoners. Verweerde koppen. Tranende ogen. Gebarsten lippen. Het politieke dier duikt dieper weg in zijn rode windjekker en bakfietst naar de basisschool. Ophaaldag. Vandaag brengt hij zijn oudste dochter en drie vriendinnetjes mee naar huis om te miniplaybacken, want dat staat in hun agenda. Ze blijven ook eten, omdat hun ouders moeten overwerken.
Ook nu rijdt het politieke dier niet helemaal door naar het schoolplein, maar blijft half achter een glasbak wachten tot de bel gaat. Tegenwoordig heeft hij het niet meer zo op groepen. Vroeger zwom hij in de menigte. Hij genoot van de aanrakingen door volstrekte vreemdelingen, het schudden van handen, de schouderbekloppingen, de klapzoenen, maar ook de priemende vingers en gebalde vuisten. De menigte was voor hem als een muze voor een kunstenaar; door de menigte kreeg hij zelf vorm. Nu, achter de glasbak en vertrokken uit Den Haag, blijft hij liever op afstand. Ver van al die lulverhalen over werk, of nog erger: politiek.

19:29 uur.
De woonkamer is een slagveld vol vertrapte cd-hoesjes, verkleedjurken, pruiken, viltstiften, verscheurde tekeningen, half ontklede poppen en overal – maar dan ook echt overal – glitterconfetti en appelmoes.
Plotseling dreunen zware voetstappen door de gang. In het melkglas van de woonkamerdeur verschijnt het onmiskenbare silhouet van de echtgenote, haar nek vooruit gestoken als een gier die een gewond dier opmerkt. Onwillekeurig moet het politieke dier aan de regisseur Alfred Hitchcock denken. Die bracht zichzelf ook wel eens als een onheilspellende slagschaduw in beeld. Daarnaast was Hitchcock de maestro van de misselijkmakende spanning; nog een overeenkomst met zijn vrouw.
De deur zwaait open.
‘Hai sch…’ begint hij, maar de echtgenote maakt een bezwerend gebaar en floept met haar andere hand de tv aan. Een nerveuze presentator ratelt met zijn armen over elkaar door de tune van een praatprogramma.
‘Het wordt een kutshow, dus blijf uit mijn buurt’, sist ze en klapt een laptop open. Sinds het politieke dier uit Den Haag vertrok, is de echtgenote weer full time gaan werken bij de omroep. Met ijzeren vuist en een op hol geslagen schildklier bestiert ze een dagelijkse talkshow annex propagandamachine voor de ‘progressieve agenda’. Zijn agenda.
‘Kutshow?’, vraagt hij.
De gierennek draait weg van het scherm. ‘K.U.T. ja. En als ie straks afgelopen is, wil ik in het hele huis geen glittertje meer zien.’ Terwijl ze hem strak aan blijft staren, draait de echtgenote het rechterbeen van een andersgekleurde Barbie af. ‘Geen glittertje. Begrepen?’

01:20 uur.
Het is bijna helemaal stil in huis. Het politieke dier ligt in zijn grijze joggingbroek en zijn vale T-shirt in bed. Het politieke dier is nog wakker. Naast hem  ligt zijn echtgenote te snurken. Haar ongekamde achterhoofd pulseert van de ergernis, maar waarover precies, dat ontgaat het politieke dier. Kan van alles zijn. Behoedzaam, zodat hij de echtgenote niet wakker maakt, glijdt zijn hand onder de dekens in zijn broek, waar het aangenaam warm is. Aarzelend, alsof het politiek incorrect is, betast hij lichtjes zijn geslacht. Het is maar goed dat het donker is, want het politieke dier voelt dat hij een rood hoofd krijgt, net zoals hem dat vroeger in de Kamer weleens overkwam. Hij legt zijn benen iets uit elkaar en tast dieper in zijn kruis, zelfverzekerder nu. Een klein, nachtelijk glimlachje speelt om de mond van het politieke dier. Hij heeft ze nog. Hij heeft ballen. Hij is een man. En de sterkste schouders moeten nu eenmaal de zwaarste lasten dragen.

Enkele passages uit dit dagverslag zijn verschenen in NRC Handelsblad op 15 maart 2010.


Een betere wereld

February 9, 2010

Ronald S. maakte in zijn te korte leven hoge pieken en diepe dalen mee. Als spindoctor en ideële reclamegoeroe kende hij vele successen, maar zijn messcherpe politieke instinct had hem ook veel vijanden opgeleverd – niet in de laatste plaats in zijn hoofd. Een hersentumor ter grootte van een golfbal betekende onvermijdelijk zijn vroegtijdige einde. Een einde dat hij, zoals al zijn campagnes, tot in de puntjes had geregisseerd, dacht hij.

Illustratie: Arjen van Lith

Doorgaans gebeurt het alleen bij staatshoofden of geestelijken, maar Ronald S. kreeg eenzelfde behandeling. Op eigen, uitdrukkelijk verzoek en tegen een forse meerprijs werd de man die middels misleiding, karaktermoord en moddergooien de ideële reclame in Nederland groot had gemaakt, niet gewoon begraven maar gebalsemd. De begrafenisondernemer tuurde door zijn leesbril naar een doorligplek op de schouder van S. De overledene was klein van stuk, sterk vermagerd, met een scheve boksersneus en pokdalige wangen door een ver verleden van acne. Een onooglijk mannetje, als je niet beter wist. Toch was hij jarenlang kind aan huis op ministeries, NGO’s en milieuclubs om als een Raspoetin achter de schermen met onvergelijkbaar succes de publieke agenda te bespelen, en ook speelde hij niet onverdienstelijk gitaar[i]. Ongeveer een halfjaar eerder, toen S. op bezoek was geweest om zijn speciale wensen kenbaar te maken en een envelop met geld te overhandigen, was zijn gezicht nog opgezwollen van de medicatie geweest. Ook toen het stoffelijk overschot binnenkwam, had het nog het vollemaansgezicht dat zo kenmerkend is voor prednisongebruikers. In slechts één etmaal was S. letterlijk ingezakt tot op het bot, als een soufflé in een tochtige keuken. Maar de begrafenisondernemer had erger meegemaakt, veel erger zelfs, en het ingevallen gelaat van Ronald S. lag gemasseerd tot een dunne maar vergevingsgezinde glimlach op de stalen tafel in de aflegruimte van het uitvaartcentrum. Voor eeuwig gekneed tot zijn goedlachse, ideale zelfbeeld – of iets dat daar in de buurt kwam, hoopte de begrafenisondernemer.

Op het moment dat een shot formaline door de bloedsomloop van S. vloeide, schreven drie belangrijke personen in zijn leven hun grafrede. Drie mensen die, ieder op hun eigen manier en zonder dat ze elkaar kenden, betrokken waren geweest bij het gekonkel waarmee S. zich had opgewerkt. Drie mensen ook, die zorgvuldig waren geselecteerd om te spreken tijdens de ceremonie; van wie S. had verwacht dat ze zich in de meest zalvende bewoordingen over hem zouden uitlaten. Stuk voor stuk konden ze zich zijn glimlach nog goed herinneren, maar toch voelde geen van hen zich geroepen om een blad voor de mond te nemen. Over de doden niets dan de waarheid, was hun gezamenlijke standpunt, al moet nogmaals benadrukt worden dat geen van hen de anderen goed kende. Hun enige verbintenis lag naakt op de tafel, in een vertrokken grimas onder een laatste douche met een hogedrukspuit.

Dood is dood, maar de omstandigheden waaronder Ronald S. aan zijn einde kwam, zijn allesbehalve alledaags. Zijn huishoudster vond hem op een vrijdagmiddag in zijn werkkamer, geheel gekleed in driedelig grijs, met zijn duster – een groezelig babyblauw ding dat hij het afgelopen jaar onafgebroken had gedragen – als een overjas om de schouders geslagen. Ronald S. zat levenloos achter zijn bureau met een uitgedoofde sigaar tussen de vingers en een pook op schoot. In de haard smeulde een haastig aangemaakt vuur van documenten, USB sticks en twee mobieltjes na, verklaarde zijn werkster later aan de huisarts. Vanwege de stank van verbrand plastic had ze niet de tijd genomen om de zien wat het was dat S. zo graag had willen vernietigen vóór hij zijn laatste adem uitblies. Wel had hij een tevreden uitdrukking op zijn gezicht gehad, zei ze niet zonder opluchting. Ze had S. aangetroffen met zijn hoofd in zijn nek en getuite lippen, alsof er nog ieder moment dikke kringen sigarenrook uit zijn mond konden opstijgen. Zijn lege ogen waren geopend en leken de rookringen na te staren tot boven zijn hoofd, waar ze als een aureool van vergeving steeds verder zouden uitdijen om uiteindelijk op te lossen in het niets.

Agnus Dei/qui tollis peccata mundi/miserere nobis][ii]

“Ronald S. was geen heilige, maar we waren ooit beste vrienden. Beiden hadden we een passie voor schaken, al was hij altijd beter dan ik. Sluwer, doeltreffender en meedogenlozer, maar ook tergend traag, waardoor ik hem gemakkelijk onderschatte. Tot op het laatste moment speelden we partij na partij, op zijn verzoek telkens één zet per dag, zodat we thuis na het werk over onze tegenzet konden nadenken”, zegt Mark F. en kijkt de kerk rond. “Vijfentwintig jaar geleden richtten we samen Een Betere Wereld op, een communicatiebureau gespecialiseerd in ideële reclame dat zich inspande voor een schoner milieu en een eerlijke wereld. Ik was de idealist van de twee, hij de praktijkman die wist hoe je media moest bespelen. ‘De media zijn een wapen’, zei hij altijd. ‘En politiek is weten wanneer je de trekker over moet halen[iii]’. Zoals u destijds in de kranten heeft kunnen lezen, is aan onze samenwerking een abrupt einde gekomen. Begrijp me goed: ik voel niet de behoefte om hier en nu pijnlijke herinneringen op te halen, maar laten we het erop houden dat hij geen moment aarzelde en hard toesloeg na een kort moment van persoonlijke zwakte mijnerzijds: mijn impulsieve, schriftelijke liefdesverklaring aan een stagiair[iv]. Ik werd publiekelijk aan de schandpaal genageld en uit zuiver politieke overwegingen weggesneden[v] uit Een Betere Wereld…”

“Het was half drie ‘s nachts en er stond plotseling een dikke neger in mijn slaapkamer. Een hijgende dikke neger, want de trap naar de derde verdieping was meer dan hij aankon. Ik was niet bang, realiseerde ik me toen met de verbazing van iemand die zichzelf vanaf een afstand bekijkt. Ik vroeg me ook niet af hoe die man in mijn huis gekomen was. De dikke neger ging erbij zitten en leunde voorover met zijn hoofd tussen zijn knieën. ‘Paard naar E5’, wist hij uiteindelijk uit te brengen. Schaakmat. Ronald heeft je ontslagbrief bijgevoegd’. Voorzichtig liep ik naar de vensterbank en vermeed bruuske bewegingen, zodat de dikke neger geen enkele aanleiding had om in actie te komen. Als in slow motion bewoog ik mijn hand naar het bord en verplaatste het zwarte paard op D7, sloeg een witte pion en inderdaad: schaakmat, vastgezet door drie stukken: het paard, de stagiair en de dikke neger. Er was geen enkele uitweg meer en ik heb nooit meer een voet in Een Betere Wereld gezet.”

“Ik was dan ook stomverbaasd toen ik drie weken geleden een brief van hem ontving, na twintig jaar radiostilte. Als u het goedvindt, wil ik hier en nu een deel van die brief voorlezen. Enerzijds omdat de brief een verzoenend, wellicht nieuw licht werpt op de persoon Ronald S., deels ook omdat anderen onder u er juist veel van hem in zullen herkennen. Maar vooral omdat ik het sterke vermoeden heb dat verscheidene aanwezigen hier en nu een soortgelijke brief hebben ontvangen…”  Terwijl Mark F. zijn leesbril openvouwt en de zal rondkijkt, vult de kerk zich met afwachtend gemompel. Een baby begint te huilen.

Beste Mark,

Ik schrijf je deze brief om je te vertellen dat ik niet lang meer zal leven. De kanker haalt me in. Nog even en ik zal mijn verstandelijke vermogens verliezen en onderduiken in een zee van morfine. Voordat het zover is – en ik ben nergens bang voor – wil ik je zeggen dat ik spijt heb. Van heel veel dingen, maar vooral van de duivelse rol die ik in jouw leven heb gespeeld. Geloof me alsjeblieft als ik zeg dat jouw geaardheid geen zwakte is. Ik heb dat nooit gevonden, maar twee kapiteins op één schip zouden ons allemaal stuurloos hebben gemaakt, dacht ik toen.

Ik was destijds verblind door de macht, maar nu mijn rechterhersenhelft het bijna heeft begeven, zie ik in wat ik heb aangericht. Het spijt me dat ik je reputatie heb besmeurd, want we weten beiden dat je die jongen met geen vinger hebt aangeraakt. Het spijt me ook dat je onvrijwillige outing via de Telegraaf moest verlopen en jou je huwelijk heeft gekost. Het was tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend. Misschien ben ik te laat, maar ik bied je alsnog mijn nederige excuses aan.

Het doel heiligt de middelen
“Dames en heren”, roept Mark F. met de armen geheven boven het geroezemoes uit. “Dames en heren, blijft u alstublieft kalm. Ik sta hier niet om Ronald S. door het slijk te halen, maar juist om hem te verdedigen. Ziet u, ik zag toen en nu de noodzaak van mijn vertrek in. Mijn positie was onhoudbaar geworden. Sterker nog: hoewel Ronald me heeft geruïneerd, blijf ik er vast van overtuigd dat hij een goed mens was. Een gewetensvol mens met een innemende glimlach en verheven intenties. Ik hoef u niet te vertellen welke successen Ronald boekte nadat hij aan het hoofd van Een Betere Wereld kwam. Daarom stel ik u en mezelf hier en nu deze fundamentele vraag: hoe kan het goede doen slecht zijn? Ronald kon wakker liggen van het idee dat er een conflict zou kunnen bestaan tussen Een Betere Wereld en datgene wat individuele eerbaarheid en morele rechtvaardigheid van hem zouden vereisen. Sterker nog: ik zeg u hier en nu, als vermeend ‘slachtoffer’, dat er slechts een schijnbaar conflict[vi] bestaat, want Ronald S. heeft zich zijn leven lang voor het goede ingespannen. Jazeker, u hoort het goed, dames en heren. Ik, het slachtoffer, de gedupeerde, pleit Ronald S. hier en nu, beter laat dan nooit, volledig vrij. Vol-le-dig.” Mark F. hamert op het spreekgestoelte om zijn woorden kracht bij te zetten. “En wat stelt een misdaad nog voor als het slachtoffer de aanklacht intrekt?”

Mark F. voelt zich voldaan en vitaal als hij het spreekgestoelte afdaalt. Zeer vitaal zelfs. ‘Ik ben het lam’, prevelt hij binnensmonds. Het offerlam dat zich gewillig naar de slachtbank liet leiden om de goden te behagen. Destijds had het hem pijn gedaan, maar hier en nu ziet hij die rol ineens hij wel zitten. Met een mooie jonge beul en de juiste rekwisieten kan het toch nog een mooie dag worden, denkt hij en hij onderdrukt met moeite de dierlijke geilheid, de hormonale viering van het leven die zo vaak gevoeld wordt tijdens begrafenissen. Maar hij houdt zijn gezicht in een ernstige plooi als hij terugloopt naar zijn stoel. Terloops werpt hij een blik op de open kist en – misschien verbeeldt hij het zich? – ziet dat de geboetseerde glimlach op het gezicht van Ronald S. iets breder is geworden.

Judex ergo cum sedebit/Quidquid latet apparebit/Nil inultum remanebit/Quid sum miser tunc dicturus?/Quem patronum rogaturus/Cum vix justus sit securus?[vii]

En god zag dat het niet goed was
“Ik ken de meesten onder u niet, want zoals u misschien heeft ervaren, verving Ronald bij ieder nieuw huwelijk ook zijn volledige vriendenkring. Ik ben Johanna van C., de eerste vrouw van Ronald, en nu dus zijn derdehands weduwe. Ik zou u graag vertellen dat het liefde was die ons tot elkaar bracht, maar ons huwelijk werd min of meer gearrangeerd[viii]. Mijn vader had een groot petrochemisch bedrijf en zag ons huwelijk als goede publiciteit. Ronald zocht geld om zijn imperium op te bouwen, want vergis u niet, dames en heren: het ging Ronald altijd om status en macht. Ons huwelijk is altijd kinderloos gebleven, dus namen we ter compensatie een chocoladebruine labrador die we Puppy noemden, omdat we hoopten dat hij altijd onze kleine zou blijven. En inderdaad, Puppy is altijd een puppy gebleven, want hij heeft slechts vier maanden geleefd. Hij verdween spoorloos op het moment dat Ronald naar Groot-Brittannië ging om opnames te maken van overstromingen in opdracht van een grote milieuorganisatie. Ronald had verstand van media en wist als geen ander het sentiment te bespelen. Dat merkte ik een halfjaar later toen ik die kleine terugzag op televisie in een reclame voor een beter milieu. Puppy…” Johanna tovert een zakdoek uit haar mouw en dept haar ogen droog. “…Excuus… Onze Puppy trappelde voor zijn leven rond in het koude water,  wanhopig op zoek naar houvast. Ik wist meteen zeker dat het onze kleine was, want de camera zoomde in op zijn oogjes vlak voordat hij door de stroming meegesleurd werd[ix]. Ronald vertelde me dat het filmpje een recordbedrag aan donaties voor zijn opdrachtgever had opgeleverd en dat Puppy dus niet voor niets was gestorven, maar ons huwelijk was op dat moment voorbij. Hij toonde geen enkel berouw. Ronald zou vlak voor zijn einde excuusbrieven hebben rondgestuurd? Laat me niet lachen. Ikzelf heb er tenminste nooit eentje ontvangen, terwijl ons kind, mijn kindje, mijn… Puppy… zonder scrupules als een pion werd opgeofferd. U mag best weten dat ik thuis zijn voederbak nog steeds in de bijkeuken heb staan. Iedere dag gluur ik even om een hoekje om te kijken of hij misschien terug is en hongerig naar me opkijkt, maar Puppy is niet meer. Als er een hemel is, denk ik niet dat hij Ronald daar ooit tegen zal komen, want ik geloof niet, zoals meneer F. zojuist beweerde, dat Ronald vrij van zonden is – al heeft hij drie planeten gered.” Met een scheve blik kijkt Johanna naar de plek waar haar ex-echtgenoot ligt opgebaard. De hoek is net te klein om hem te kunnen zien liggen, maar de lucht boven de kist lijkt te zinderen als boven heet asfalt op een zomermiddag. Ze wendt haar ogen af en richt zich weer tot de zaal, die doodstil geworden is. “Ik wil de prestaties van mijn ex-man niet bagatelliseren, maar Ronald kon kwaadaardig zijn. Zijn kwalijke intenties hebben misschien positieve effecten gehad[x], maar vergeeft u mij dat ik zijn harteloosheid zwaarder laat wegen dan een volle rampgiro’s, een tevreden klant of zelfs een schoner milieu. Dit, dames en heren, was niets minder dan moord.”

Terwijl de laatste woorden van Johanna van C. nog nagalmen, vullen zware voetstappen de verstomde kerk als pater Jan van K[xi]. naar de preekstoel loopt. Terwijl de geestelijke de trap bestijgt, tilt hij zijn pij wat op, waardoor cowboylaarzen met zilveren sporen zichtbaar worden.

Yadayadayada”, galmt Jan van K. plechtig in de microfoon terwijl hij zijn kaakspieren aanklemt. Met zijn ondermaatse postuur komt hij nauwelijks boven de microfoon uit, maar zijn stem draagt tot in de verste uithoeken van de kerk. Door het voortschrijden van de tijd lijkt zijn eens voetbalronde hoofd het verloren te hebben van de zwaartekracht en balanceert als een liggend ei op zijn dunne nek. Twee heldere, sterk uitvergrote ogen achter een zwartomrande plusbril nemen de menigte in zich op. “Vergeeft u mijn profane taalgebruik, dames en heren, maar ik heb het gevoel dat ik moet ingrijpen. We zijn hier niet alleen bijeen om Ronald S. te gedenken, maar ook om te óverdenken wat hij betekend heeft voor ons allemaal. Waar hij past in het grotere, goddelijke ontwerp. Terwijl de collecte rondgaat en het koor zingt, gaat u dan voor uzelf na welke rol Ronald S. in uw leven heeft gespeeld. Want er is geen beter inzicht dan inzicht achteraf.”

Gezang:

Thus every part was full of vice
Yet the Whole mass a paradice;
Flatter’d in Peace, and fear’d in wars
They were th’esteem of foreigners
And lavish of their wealth and lives
The balance of all other hives.

Such were the blessings of that state
Their crimes conspired to make ‘em great;
And vertue, who from Politics
Had learn’d a thousand cunning tricks,
Was, by their happy influence,
Made friends with vice: and ever since
The worst of all the multitude
Did something for the common good
[xii]

Hij die zonder zonde is
“We hadden elkaar jarenlang niet gezien, maar in zijn studententijd gingen Ronald en ik veel met elkaar om en ook in de aanloop naar zijn einde hebben we weer veel met elkaar gesproken”, zegt Jan van K. met de intieme, maar krachtige toon van een geoefend retoricus. “Anders dan u tot nu toe gehoord heeft, had Ronald wel degelijk besef van goed en kwaad. Zijn leven overziend, maakte hij zich grote zorgen over wat hem te wachten stond in het hiernamaals. Hij begreep dat hij zondig was geworden, maar zag tegelijkertijd ook de noodzaak daarvan in. ‘Geen Betere Wereld zonder een mes op tafel’, zei hij tegen mij. Ik verstond hem destijds wel maar begreep hem niet, ondanks mijn Jezuïtische achtergrond. Nu we allemaal door de noodzaak van zijn dood gedwongen zijn om ons in het enigma Ronald S. te verdiepen, durf ik te stellen dat hij – hoewel afgedreven van kerk en geloof – in essentie een goed mens was, maar dat hij heeft moeten leren om juist niet goed te durven zijn[xiii]; op zich al een trieste noodzaak. Er is hier vandaag, op deze treurige dag, veel gesproken over goed en kwaad, over moreel en immoreel, maar ook een betere wereld is niet perfect en blijft tot in de eeuwigheid een aards koninkrijk, geregeerd door machtshonger, egocentrisme en corruptie. Geachte aanwezigen, in de spaarzame minuten, de weinige meters die ons resten tot de eindbestemming van Ronald S., wil ik u verzoeken om in uw eigen hart te kijken en daar dankbaarheid te vinden. Dankbaar dat Ronald S. namens u allen zijn handen vuil gemaakt heeft. Hij deed het uit naam van ons, opdat wij in zijn droom verder kunnen leven. Jezus zei: ‘Hij die zonder zonde is, werpe de eerste steen’. Kent u die uitdrukking? ‘Oordeel niet’, wil hij daarmee zeggen, maar hij bedoelt ook dat de zonde overdrachtelijk is en dat ieder van ons een deel van Ronald S. met ons meedraagt. Zijn daden komen voort uit onze afgeschoven verantwoordelijkheid[xiv]. Het feit dat u hier in zulke groten getale aanwezig bent om afscheid van hem te nemen, maakt die last alleen maar lichter en dat is een grote troost. Het stelt ons ook in staat om Ronald S., samen, op onze handen gedragen, naar zijn laatste rustplaats te begeleiden.”

Vanuit de buik van de kerk tot aan het open graf vormt zich een lange, roerloze rij rouwenden. Het enige wat beweegt is de kist met daarin het glimlachende omhulsel van Ronald S. De gewetenloze wereldverbeteraar die tijdens zijn leven nooit geliefd genoeg was om te crowdsurfen op zijn bewonderaars, wordt bij zijn dood van hand tot hand doorgegeven, boven de hoofden van de zwijgende, achtergebleven zondaars, op weg naar zijn betere wereld.

Dit artikel is eerder verschenen in Credits#4 2008, themanummer ‘Politiek’, Credits Media, Amsterdam.


[i] Het karakter van Ronald S. is losjes gebaseerd op Harvey LeRoy – Lee – Atwater, de beruchte campagnestrateeg van de Amerikaanse Republikeinse partij. Atwater stond bekend als een politieke boeman die met niets ontziende bloeddorst zijn tegenstanders naar de strot vloog. Hoewel hij tijdens de presidentscampagne van George H.W. Bush in 1988 werd beschuldigd van onverholen racisme, won Atwater de verkiezingen voor zijn kandidaat. De beschuldigingen werden overigens tegengesproken door de vele zwarte vrienden van Atwater, die in hem een ‘black man in a white body’ zagen. Naast zijn politieke successen oogstte hij ook veel lof voor zijn gitaarspel en zijn gevoel voor de blues. Lee Atwater stierf in 1991 op 40-jarige leeftijd. Zie: Boogie Man: the Lee Atwater Story (PBS, 2008).

[ii] Lam Gods/dat wegneemt de zonden der wereld/ontferm U over ons.

[iii] Vrij naar The Godfather III (Francis Ford Coppola, 1991): Money is a gun. Politics is knowing when to pull the trigger.

[iv] Seksuele schandalen zijn van alle tijden. Mark F. is gemodelleerd naar de Amerikaanse Republikeinse Afgevaardigde Mark Foley, die in september 2006 de tragische hoofdrol vertolkte in een soortgelijke affaire. Hij trad terug na onthullingen over seksueel getinte e-mails aan zijn 16-jarige medewerker – op Capitol Hill een ‘Page’ genoemd. Hoewel Foley aanvankelijk bekende maar later weer net zo hard ontkende, liet hij er nooit enige twijfel over bestaan dat de onthullingen niets meer waren dan een smerig opzetje van politieke tegenstrevers.

[v] Dat vriendschap en zaken slecht samengaan, illustreert de documentaire Startup.com (2001), over het internetbedrijf van boezemvrienden Kaleil Isaza Tuzman (de commerciële jongen) en Tom Herman (de nerd). Naarmate hun bedrijf meegroeit met de internetbubble, neemt het onderlinge vertrouwen tussen beide oprichters omgekeerd evenredig af. Uiteindelijk wordt Herman onder politiebegeleiding zijn eigen gebouw uitgegooid.

[vi] Mark F. neemt hier het klassieke, Romeinse standpunt over het probleem van de vuile handen in: Cicero weerspreekt in De Officiis (44 v.Chr.) dat er sprake is van een conflict tussen de individuele eer en politieke moraal. Hij lost het dilemma van de vuile handen op door het te ontkennen: trouw aan Rome is voor ieder mens het hoogst haalbare. Eerloosheid en kwaadaardigheid lijken soms ten gunste van dat hoogste ideaal te werken, maar in werkelijkheid is dat vrijwel nooit het geval. Anderzijds kunnen sommige daden wellicht moreel verwerpelijk lijken, maar dat feitelijk niet zijn. Hoe dan ook: het algemeen belang overstijgt individuele eerbaarheid in die zeldzame gevallen dat ze daadwerkelijk met elkaar in aanvaring komen.

[vii] Wanneer de rechter zijn plaats inneemt/alles dat verborgen is zal verschijnen/Niets zal ongewroken blijven/Wat zal ik, een ondeugd, dan zeggen?/Op welke beschermer zal ik een beroep doen/Wanneer zelfs de gegronde mens ternauwernood veilig is?

[viii] Johanna van C. leent haar naam van Johanna van Castilië (1479-1555), de labiele echtgenote van de Spaanse koning Philips de Schone. Na de dood van Philips in 1505 knakte Johanna definitief. Ze liet het stoffelijk overschot van haar man in haar slaapkamer plaatsen en opende iedere dag de kist, in de hoop dat hij weer tot leven was gekomen. Hoewel ze haar leven lang officieel Koningin van Castilië is gebleven, liet haar zoon Karel V, keizer van het Heilige Roomse Rijk, haar opsluiten in een kasteel in Tordesillas, waar ze tot haar dood niet meer uitkwam.

[ix] De werkelijkheid is soms angstaanjagender dan fictie. De Deense journalist Leif Blaedel toonde in 1986 aan dat Greenpeace, de grootste milieuorganisatie ter wereld, dierenbeulen had betaald om kangaroes gruwelijk te laten martelen voor een promotiefilm. Greenpeace procedeerde tegen deze onthullingen, maar verloor: de rechter oordeelde dat de mishandelingen in scène waren gezet en de dierenbeulen werden veroordeeld. Niettemin ging de Deense tak van Greenpeace door met de distributie van de film, totdat de toenmalige mediadirecteur Peter Dykstra de film in de ban deed wegens ‘integriteitproblemen’ (Uit: Leslie Spencer, The not so peaceful world of Greenpeace, Forbes, 11 november, 1991). Hoewel  Greenpeace ook bij aandere schandalen betrokken zou zijn geweest, moet bij de motieven van Blaedel wel een kanttekening gemaakt worden: Denemarken heeft heel wat te winnen bij negatieve publiciteit over Greenpeace. Het land leeft al decennialang op voet van oorlog met de organisatie vanwege conflicterende denkbeelden over de walvisvaart.

[x] Johanna van C. leent haar argumentatie van Sint Augustinus, die in Over de stad Gods (De civitate Dei, 413-427) onderscheid maakt tussen het door liefde gestuurde rijk Gods en de door egoïsme geregeerde aardse staat. In een typisch katholieke spagaat stelt hij dat de ondeugd de deugd imiteert, en dat – door een slimme truc van God – menselijke imperfecties daarom toch kunnen leiden tot wenselijke, positieve resultaten. Of een daad zondig of zedig is, valt niet af te leiden uit de uitkomst van die handeling. In tegenstelling tot Mark F. legt Johanna van C. vooral de nadruk op de intentie van Ronald S. om Puppy koelbloedig de dood in te jagen en minder op de positieve uitkomsten van de moord.

[xi] Ronald S. had Jan van K. leren kennen bij het studentenekklesia, waar Van K. destijds voorging. Zijn keuze voor de vooruitstrevende geestelijke lijkt niet toevallig: hoewel de twee elkaar jarenlang niet meer hadden gesproken en Ronald S. zijn geloof lang geleden had afgeworpen, had Jan van K. altijd een luisterend oor, juist voor diegenen voor wie er geen redding meer was.

[xii] Uit: The Fable of the Bees. Or: Private Vices, Public Benefits (1714) door Bernard Mandeville. De van oorsprong Nederlandse Mandeville voerde in dit gedicht een bijenkorf op, waarin iedere afzonderlijke bij corrupt, misdadig en egoïstisch was. Toch leidt de optelsom van al die kleine vergrijpen samen tot de best mogelijke samenleving. The Fable of the Bees heeft grote invloed gehad op de economie. Adam Smith’s onzichtbare hand gaat uit van eenzelfde principe: alle individuele behoeften vormen samen het ideale evenwicht tussen vraag en aanbod.

[xiii] In tegenstelling tot Cicero en Augustinus doet de Italiaanse filosoof en politicus Niccolò Machiavelli (1469-1529) geen enkele poging om het probleem van de vuile handen te verbloemen. Hij zegt expliciet dat politiek succes onmogelijk is zonder moreel verwerpelijk gedrag. Zijn belangrijkste werk, De Heerser (Il Principe, 1513), wordt beschouwd als het standaardwerk over politiek leiderschap, een handboek voor machtsrealisten.

[xiv] De Britse humanist Thomas More (1478-1535) en de filosoof Thomas Hobbes (1588-1679) democratiseren het vuile handenprobleem en verdelen de zonde democratisch over iedereen. De politicus is slechts aangewezen om namens het volk te handelen.


Before-After: broedplaatsen

February 8, 2010

De krakersbolwerken uit de jaren ´80 en ´90, met loodsen vol antimonarchistische zwerfvuilkunst, stonden model voor de broedplaatsen waarop Amsterdam nu al haar creatieve hoop gevestigd heeft: zelfs het Stedelijk is antikraak. Hebben de anarchistische hotspots die verstikkende gemeentelijke omarming overleefd? En waar gebeurt het nu allemaal? Een aselecte rondgang langs subculturele monumenten van voor en na de inpoldering.

Graansilo

BEFORE -- Westerdoksdijk 51 -- De voormalige Graansilo Segmij. Gezien vanaf de Van Diemenstraat (1997). Ondergrondse scheppingskracht met festivals, filmsets en honderden ongewassen kunstenaars. Gekraakt in 1989 - ontruimd in 1998 (Gemeentearchief Amsterdam).

AFTER -- Westerdoksdijk 51 -- Appartementen aan de Silodam (2006). Hip wonen tegen elke prijs: wethoder Kramer verloor zijn baan door speculatie op dure koopwoningen. Zo mooi dat je de deur niet meer uitkomt. “De parkeerlift laat het regelmatig afweten” (AvL)

NDSM Werf

BEFORE -- Scheepsonderdelenmagazijn (1976). (Gemeentearchief Amsterdam).

AFTER -- Everland Skatepark (2006). De grootste broedplaats van Nederland biedt ruimte aan MTV Networks, de IJ-Kantine en een hiphopschool. Wonen verboden: in de atelierdozen onder de skatebaan mogen kunstenaars geen nacht slapen (AvL).

Lloyd Hotel

BEFORE -- Oostelijke Handelskade 34 -- De voormalige Rijksinrichting voor Jongens (1989). In de jaren ‘90 was het Lloyd Hotel een woon-/werkpand voor kunstenaars uit het voormalige Joegoslavië. Ontruimd in 1998 (Gemeentearchief Amsterdam).


AFTER -- Oostelijke Handelskade 34 -- Lloyd Hotel (geopend sinds 2004). Indeling: 120 kamers, 2 restaurants, culturele ambassade, opnamestudio en bibliotheek. Badkamer op de gang (AvL).

Entrepotdok

BEFORE -- Entrepotdok 86 -- Interieur magazijn 'West' (1914). Opslag van de firma Hekker & Co (Gemeentearchief Amsterdam).


AFTER -- Entrepotdok 86 -- Dok Architecten (2006). 49 creatieven in loondienst. Betrok het complex in mei 2004 als Atelier Zeinstra Van der Pol (AvL).

Met dank aan het Gemeentearchief Amsterdam.

Deze fotoserie is eerder verschenen in Credits#4, 2006, themanummer ‘De Creatieve Industrie’, Credits Media, Amsterdam.