Mijn oom Lenny (2b)

Een estafetteverhaal in samenwerking met vriend-schrijver Gilles van der Loo, waarin onze protagonist Johannes Zanger alles riskeert om zijn geliefde oom Lenny uit de klauwen van het paramilitaire ANP te bevrijden. Een verhaal over vriendschap, liefde en hoogwaardige haarproducten; over persvrijheid, privacy en mannen met ballen van staal.

Hoofdstuk 2b: een onbekende knaap

De kreten van mijn medegevangenen galmen door de kelders van het ANP. Een mannenstem gilt voortdurend dat hij op hypothetische vragen geen antwoord kan geven. Een vrouw een paar cellen verderop jammert dat ze op dit moment ergens geen uitspraak over kan doen. De muren van mijn cel zijn volgekalkt met teksten als FOK HET ANP, NVJ = BLOEDZUIGERS en PAPARAZZIHONDEN AAN DE LIJN.

Honden. Pixie Stardust Chardonnay. Nee, zelfs mijn vaders moordenaar was beter dan de agenten van het ANP. Het enige wat ik haar kon verwijten was dat ze alles als een spelletje zag, en ondanks het feit dat ze mijn vader had afgepakt kon ik geen plezier beleven aan haar einde.

Pixie had bloed geproefd – en piepschuim – en dat maakte haar een risico voor de kinderen uit de buurt en alles wat in schokbestendige verpakkingen zat. De dierenarts kwam langs om haar een spuitje te geven en toen ze was opgehouden met ademen, begroeven we haar samen met mijn vader op het landje achter ons huis. Het was een mooie ceremonie. De buren, die toestemming hadden gegeven om Pixie bij mijn vader te leggen, waren er ook.

Wat ik me vooral herinner is hoe mijn moeder en ome Len door de dood van papa nader tot elkaar kwamen. Zo leek mijn moeder mijn oom minder te haten na de begrafenis, en meed ome Len de plekken waar mama was niet meer zo erg. Hun nachtelijke vechtpartijen gingen onverminderd door, maar ze leken het in de ochtend steeds beter met elkaar te hebben. Aan de ontbijttafel heerste nu een minder gespannen sfeer, en ik begon te wennen aan de voortdurende aanwezigheid van mijn lievelingsoom.

Ik heb geprobeerd mijn cel zo aangenaam mogelijk te maken. Mijn roze onderbroek heb ik om het kale peertje geknoopt, en ik heb een paar mooie tekeningen op de wanden gemaakt, waaronder een van oom Lenny en mijn moeder in de achtertuin, hand in hand bij het graf van Pixie en papa.

Voor het haar van ome Len heb ik een speciale truc. Ik houd mijn potlood schuin en wrijf met de punt over de vloer tot hij zo scherp als een naald is. Voor elke dag dat ik hier zit (wat ik moet afmeten aan keren dat ze me voor verhoor uit mijn cel halen) teken ik een strakke groef op zijn hoofd.

In de nachten ruziede ome Len met mijn moeder, maar de dagen waren van ons. Zo gauw mama naar haar werk was wandelde ik met mijn oom de duinen in. Weer of geen weer, regen, sneeuw of hagel, we waren altijd samen. Het was niet makkelijk om ome Len met mijn moeder te delen, maar hij maakte het in onze dagen samen meer dan goed. Zo zwommen we in de ijskoude Noordzee om onze ballen te harden, en renden we kilometers naakt over het verlaten strand. We speelden tikkertje tussen de pallissaden, bouwden vuurtjes van drijfhout en keken uit over de eindeloos grijze zee. Toen de dagen kouder werden bouwden we hutten en bleven we warm door heel dicht tegen elkaar aan te liggen. Alleen de beste vrienden, zo zei oom Lenny, mochten tegen elkaar aan liggen op een bed van landbouwplastic en helmgras. Hij wreef mijn rug tot ik helemaal warm werd en leerde me wat echte vriendschap betekende. Als het pijn deed, verzekerde hij me dat dat nodig was voor mijn ontwikkeling. Ook hij had ooit een oom die hem alles leerde over echte vriendschap. Nooit voelde een knaap zich zo geliefd als ik. Mijn oom Lenny leerde me alles wat een jongeman moet weten over haarverzorging. En God, wat mis ik hem.

In het begin vroeg ik de bewakers nog om mijn mijn Keune E 1103 Ultra Plyant Remoisturizing Gel, en de geweldige Biosysteme Groove Factor 200, waarmee oom Lenny me op die jonge leeftijd al leerde werken. Ik wilde mijn eigen Zennerkammen, mijn borstel van blond marterhaar en het nachtkapje waarmee ik mijn groeven onder het slapen in het gelid kan houden. Tot tien keer toe gaf ik die mannen alles op een briefje, maar nooit kwam er iets. Na een aantal weken smeekte ik zelfs om een potje Australian Hotwax. Niet eens Murray’s wilden ze voor me halen.

Pas gisteren gooide de bewaker met de stompe neus, die zo te zien ook wel het een en ander van echte vriendschap weet, een bakje briljantine door de klep van mijn deur. Ik dook erop als een wolf op een kuiken.

Omdat er geen spiegel in mijn cel was ging ik op mijn tenen op het bed staan. In het glas van het peertje zou ik mezelf, zij het vervormd, kunnen zien. Ik haalde mijn onderbroek van het lampje af en tuurde in het glas, maar het licht bleek te fel om een glimp van mijn haar op te kunnen vangen. Even dacht ik de oplossing gevonden te hebben: ik kon de lamp natuurlijk losschroeven. Als hij niet meer brandde kon ik mezelf er rustig in bekijken. Net op het moment dat ik het peertje uit de fitting draaide echter, deden de bewakers het licht in mijn cel uit. Dat is dus hoe ver ze gaan. Na een paar uur in het donker besloot ik de Briljantine maar op het gevoel aan te brengen.

Vijf gelukkige jaren hadden we, mijn oom en ik. Tot ik, twee dagen na mijn zeventiende verjaardag, uit school kwam en ome Lenny niet thuis aantrof. Ik wachtte op mijn moeder en vroeg of zij wist waar hij uithing, maar ze wilde er niets over zeggen. Ze leek verdrietig en probeerde me de hele tijd te omhelzen, wat ik als een slecht teken opvatte.

‘Ach mijn jongen’, zei ze. ‘Lieve jongen toch, waarom heb je niets tegen me gezegd?’

Ik begreep er niks van, en toen ze overstuur vertelde dat die man voorgoed uit ons leven zou blijven en dat hij me nooit meer pijn zou kunnen doen, vroeg ik haar verbijsterd over wie ze het had.

‘Ik begrijp het, lieverd’, zei mijn moeder. ‘Je hebt gelijk. We zullen zijn naam hier in huis nooit meer noemen. Het zal zijn alsof hij nooit heeft bestaan.’ Mama opende de keukenla en haalde er een stapeltje polaroids uit, dat ik meteen herkende. Het waren de strandkiekjes van oom Lenny; de plaatjes die we op onze middagen samen gemaakt hadden.

‘O, lieverd’, zei mijn moeder, ‘ik heb ze gevonden. Nu weet ik alles. Ik vind het zo erg, kun je me vergeven? Ik wist het niet, ik wist het gewoon niet.’ Ze opende het deurtje van de houtkachel en gooide het stapeltje in de vlammen. Ik sprong op, stak mijn hand door de opening en trok hem meteen weer terug. De gloeiendhete plaatjes hadden de vingerafdrukken van mijn hand gebrand. Nog steeds is mijn rechteerhand profielloos, en laat ik er alles uit vallen.

‘Je oom’, zei mijn moeder, terwijl ze mijn hand verbond, ‘komt nooit meer terug. Ik hoop dat ze hem vinden en aan de hoogste boom hangen.’

Nu begreep ik er echt niets meer van, maar wat wel doordrong was de stelligheid waarmee mijn moeder me bezwoer dat ik mijn geliefde oom, mijn beste vriend, nooit meer zou zien. Ik had het op de begrafenis van mijn vader droog gehouden; zelfs mijn zwaar verbrande hand was me geen tranen waard, maar bij het idee dat mijn oom voorgoed uit mijn leven was, greep me zo’n eenzaamheid en wanhoop naar de keel dat ik het op een merg- en beenversplinterend krijsen zette. Mijn moeder sloeg haar armen om me heen en bleef herhalen dat het haar speet, maar ik geloofde er niets van. Zij moest mijn oom hebben weggejaagd, en ik haatte haar. Ik zou haar de rest van mijn leven blijven haten.

Niet lang daarna verschenen de eerste berichten in de pers. Leonard von Liechtenstein, boezemvriend van prins Bernhard en veteraan van de slag om Zeewolde, werd gezocht wegens het misbruik van een jongeman. De knaap, verder JZ genoemd, zou over een periode van meer dan vijf jaar lang zijn misbruikt door de Commandeur in de Orde van de Militaire Leeuw. Oom Lenny was op de vlucht, meldde het ANP, maar het zou niet lang duren voor hij gevonden werd.

Ik wilde meteen naar het ANP om te getuigen. Al die verhalen konden niet waar zijn, want de laatste vijf jaar was ome Len elke dag bij mij geweest.

‘Maar’, krijste ik tegen mijn moeder, ‘ik kan hem helpen! Ik kan ome Len helpen, begrijp je dat dan niet?’

‘Lieverd’, zei ze. ‘Je hoeft nergens meer bang voor te zijn. Echt, het is voorbij.’

‘En wie is die jongen dan die dat allemaal over hem zegt? Dat is een vuile leugenaar!’

Mijn moeder pakte de krant af en propte hem in de houtkachel waarin ook mijn dierbare herinneringen aan mijn oom verdwenen waren. ‘Voorlopig’, zei ze, ‘lees jij geen kranten meer. Voorlopig neem jij even rust.’

Ik wilde geen rust. Ik wilde mijn oom, maar hij kwam niet, hij belde niet en schreef geen brieven. Toch was het pas in de derde week van zijn afwezigheid dat ik me de brief herinnerde die hij me gegeven had, de brief die ik in mijn vaders helm had verstopt en die nu, samen met zijn gemangelde lichaam en de ontbindende Pixie Stardust Chardonnay in de achtertuin begraven lag.

[Gilles, 20 februari 2011]

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: