Mijn oom Lenny (2)

Een estafetteverhaal in samenwerking met vriend-schrijver Gilles van der Loo, waarin onze protagonist Johannes Zanger alles riskeert om zijn geliefde oom Lenny uit de klauwen van het paramilitaire ANP te bevrijden. Een verhaal over vriendschap, liefde en hoogwaardige haarproducten; over persvrijheid, privacy en mannen met ballen van staal.

Hoofdstuk 2: Een fris gebit is de halve veldslag

Met veel geplons en gespetter word ik overeind getrokken. IJskoud water druipt uit mijn neus en prikt in mijn ogen. Wanneer ik ze opendoe, zie ik twee gemaskerde mannen over me heen leunen. De persagenten, schiet het door me heen. De persagenten! Ze zijn er nog steeds. Het was dus geen nare droom. Nog altijd lig ik vastgebonden op een plank in de kale verhoorkamer. Wat heb ik in godsnaam losgelaten? Heb ik ze verteld over de envelop? Over het grote geheim van oom Lenny? Over mijn vader en zijn helm? Jezus Christus, ik weet het niet meer. Tijdens het waterboarden moet ik even zijn weggedommeld…

Terwijl de persagenten me aan mijn voeten terugslepen naar mijn cel probeer ik zo onopvallend mogelijk te voelen hoe mijn haar zit. Over de glans ben ik niet zeker, maar de groeven voelen nog als vanouds: diep en scherp vanaf de haargrens tot in de nek. Een zucht van opluchting borrelt op uit mijn pijnlijke longen. ‘Stalen ballen, soldaat, stalen ballen’, denk ik bijna hardop. Van mij horen ze niets, al wordt het mijn dood.

Iedere zoon denkt dat zijn vader onsterfelijk is. Ik was daarop geen uitzondering. Hoewel ik ergens best wist dat hij een beetje achterlijk overkwam, was ik er net als ieder ander kind van overtuigd dat mijn vader onoverwinnelijk was. Zo kon hij bijvoorbeeld mooi tekenen. En hij was goed met dieren. Iedere week speelde hij een kaartspelletje met Pixie-Stardust-Chardonnay, de rottweiler van de buren. Niet zelden eindigden die spelletjes in verontwaardigd gekef en een paar gemene bijtwonden, maar mijn vader beet net zo hard terug, want hij had een goed gebit. Hij kauwde op alles. Soms, als hij weer eens was vergeten door te trekken, zag ik in de wc-pot de vermalen resten van lijmdoppen, kindersurprises of een barbie-arm tussen zijn ontlasting drijven. Dat gaf me dan een trots gevoel. Mijn vader is misschien geen oorlogsheld, dacht ik, maar hij durft wel ergens zijn tanden in te zetten.

Ook oom Lenny had vroeger een goed gebit, maar dat hebben de nazi’s eruit geslagen. Een strategische misser, want die actie zette Het Beleg van Oedenrode in gang. Daar leidde oom Lenny, ontsnapt en ontketend, het verzet naar een grote overwinning, waardoor de Waaldelta werd ontsloten voor de geallieerden.

‘Als oom Lenny al zijn tanden nog had gehad, zou je nu op school nog steeds Mein Kampf moeten lezen’, zei mijn moeder altijd als ik klaagde over mijn huiswerk. Dreigend wees ze dan met De Vinger naar het hoofd van de tafel, de plek waar oom Lenny zat als hij op bezoek kwam. Zelf sprak hij nooit over de oorlog. Wanneer die ter sprake kwam, hield hij zijn mond of snoof minachtend boven zijn soep. ‘Ouwe koeien’, mompelde hij dan uiteindelijk, of ‘Wijvenpraat’, wat zo’n beetje hetzelfde was.

Na de oorlog droeg oom Lenny een kunstgebit van authentiek Afrikaans ivoor, afkomstig van een olifant die door prins Bernhard zelf was geschoten. Door zijn snor zag je er bijna niets van. Hij kon er heel grappig mee klapperen, maar verder was hij er erg zuinig op. Ooit, ver voor mijn geboorte, had hij zijn gebit tijdens een weekendje Kanaalzwemmen verloren in een golf Noordzeewater. Zonder pak of zuurstof heeft hij toen 40 meter gedoken om het weer op te vissen. Met bloedende oren en een stralende glimlach kwam hij aan in Dover. ‘s Nachts lagen zijn neptanden altijd in een glas Nicholson’s gin te ontsmetten. Daar was mijn oom heel precies in. ‘Een fris gebit is de halve veldslag’, zei hij altijd en sosm liet hij me de tanden aflikken voordat hij ze in zijn mond stopte. Echt fris smaakte het niet, maar het gaf me wel een warm gevoel van binnen.

Mijn moeder was de enige die de draak durfde te steken met het gebit van oom Lenny. De tandenloze tijger’, noemde ze hem vaak, maar nooit als hij erbij was. Ze waren sowieso bijna nooit tegelijkertijd in dezelfde ruimte, behalve als oom Lenny bleef eten en natuurlijk die ene keer in mijn moeders slaapkamer, toen mijn oom zo hulpeloos geleken had. Verder meed hij mijn moeder als een kat een bak ijswater. Ze had een vreemd soort macht over hem, een donkere magie die hem zijn krachten leek te ontnemen en zijn stalen ballen week maakte. Jong als ik was, zwoer ik dat mij dat nooit zou overkomen.

De enige die op geen enkele manier bevattelijk leek voor de krachten van mijn moeder, was mijn vader. Haar bezweringen, de Vinger, haar allesziende oog en haar straffen troffen hem nooit. Mijn vader kwijlde opgewekt door. Ik bewonderde hem daarom. Hij mocht dan misschien zwakzinnig zijn, maar dat maakte hem ook vrij en onaantastbaar. Daarom wist ik zeker dat de envelop met oom Lenny’s geheim bij mijn vader in goede handen was. Niemand zou onder zijn helm gaan zoeken, hij zelf al helemaal niet. Bovendien ging zijn helm nooit af. Zelfs onder de douche hield hij hem op. Dat was voor zijn eigen bestwil, maar hij wilde zelf ook niet anders. Mijn vader koesterde zijn helm. Hij was eraan gehecht geraakt.

Iedere zoon denkt dat zijn vader onsterfelijk is, en iedere zoon komt er vroeger of later achter dat hij ongelijk had.

De dood van mijn vader kwam vroeg en onverwacht. Ogenschijnlijk was er niets aan de hand: zoals vaak was mijn vader aan het kaarten met Pixie-Stardust-Chardonnay, mijn moeder was boodschappen aan het doen en oom Lenny deed een middagdutje. Ik weet niet meer wat ik aan het doen was, maar ik was boven in de badkamer toen ik een hoog gekerm hoorde. Eerst schonk ik er geen aandacht aan, maar toen de gil zich traploos een octaaf verhoogde – zoals een luchtalarm –sprintte ik naar beneden. In de serre lag mijn vader bloedend op de grond. Zijn nek stond in een rare hoek op zijn schouders en waar zijn hoofd had gezeten, stak nu een bloederige prop van haar en piepschuim half uit de muil van de rottweiler.

‘Los!’, krijste ik, maar de hond zette zich schrap en gromde diep. ‘Lós god-ver-domme!!’ gilde ik nogmaals en greep mijn vader bij de knieholtes. Ik rukte en trok en wrikte, maar het beest gaf geen centimeter toe. ‘Jezus pap! Ga dan ook niet toepen, pap!’ jammerde ik tegen de bloedprop. ‘Ga dan godverdomme iets anders doen pap. Een ander spelletje!’ Met mijn laatste krachten gaf ik een wanhopige ruk en hoorde een luide knak. Het lichaam van mijn vader verslapte, en de hond liet eindelijk los. Voldaan ging het beest naast het lijk liggen. Hij had zijn punt gemaakt: Pixie-Stardust-Chardonnay had het beste gebit van allemaal.

(Arjen van Lith)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: