Mijn oom Lenny (1)

Een estafetteverhaal in samenwerking met vriend-schrijver Gilles van der Loo, waarin onze protagonist Johannes Zanger alles riskeert om zijn geliefde oom Lenny uit de klauwen van het paramilitaire ANP te bevrijden. Een verhaal over vriendschap, liefde en hoogwaardige haarproducten; over persvrijheid, privacy en mannen met ballen van staal.

Hoofdstuk 1: Een echte man rent nooit

‘Een man’, zei mijn oom Lenny terwijl achter hem het grijsgroene helmgras platwaaide tegen de duinen, ‘staat altijd rechtop.’ Hij zette de hakken van zijn roodwitte pennyloafers in het rulle zand en haalde een hand over zijn haar, dat glansde als een verse elpee en in even strakke groeven gekamd was. De panden van zijn jasje flapperden in de straffe wind. Oom Lenny schoof zijn duimen achter  de gesp van zijn slangenleren riem en leunde met zijn pelvis naar voren, cowboy-stijl: ‘En als ze wat te zeiken hebben dan moeten ze maar komen.’

De lage zon scheen in de glazen van zijn YSL en ketste vandaar in mijn ogen, die spontaan begonnen te tranen; ome Lens contouren werden vager en vager. Ik knipperde als een bezetene om het vocht te verdrijven.

‘Jongen’, zei hij, en zakte door zijn hurken, ‘nu moet je goed naar me luisteren.’ Zijn snor was opeens heel dichtbij; zijn adem rook als de zee: oud, vissig, en met een subtiele noot van meeuwenkak. Oom Lenny stond bekend om wat zijn makkers uit het verzet als eersten De Blik zijn gaan noemen. Priemend en toch onscherp, rustend op een onzichtbaar punt tussen zijn scheefgeslagen neus en de horizon, kon De Blik je tegelijkertijd het gevoel geven mijn ooms absolute aandacht te hebben en die aandacht ook niet waard te zijn. Sinds kort was ik zelf begonnen de Blik te oefenen, en op mijn moeder na lukte het bij iedereen, al hadden ze me op school in elkaar geslagen en had een dikke man op straat me flikker genoemd.

Ome Lenny haalde een envelop uit de binnenzak van zijn jasje en drukte die met twee handen op mijn borst. Ik rook de glycerinecrème waarmee hij zijn vingers altijd insmeerde. ‘In deze envelop’, zei hij, ‘zit mijn grootste geheim. Begrijp je dat?’

Ik knikte omdat het me gezien de ernst in zijn stem beter leek, maar wist niet waar hij het over had.

‘Dit geheim’, vervolgde hij, ‘vertrouw ik aan jou toe. Bewaak het met je leven.’ Bij het uitspreken van het woord leven liet hij de envelop los, waardoor hij tussen mijn voeten in het zand viel. Ik wilde bukken om hem op te rapen, maar mijn oom hield me tegen. Hij zette zijn zonnebril af en verdiepte De Blik. Een rilling liep langs mijn wervelkolom. ‘Kun je ervoor zorgen’, zei hij, ‘dat niemand deze brief in handen krijgt?’

Voor ik kon zeggen dat ik dat niet durfde te beloven gebeurde het: oom Lenny rechtte zijn rug, klikte met de hakken van zijn loafers en salueerde me. Ik, Johannes Zanger, elf jaar oud, werd gesalueerd door Leonard von Liechtenstein, boezemvriend van prins Bernhard, oorlogsheld en veteraan van de slag om Veghel. Zonder waarschuwing begonnen de tranen over mijn wangen te rollen. Dit, besloot ik, was het mooiste moment van mijn leven.

In de verte, achter het duin, ging de dinerbel. Aangezien het macaroni-avond was wilde ik meteen gaan lopen, maar oom Lenny hield me tegen.

‘Nee’, zei hij. ‘Je moet je nooit laten pushen. Een man bepaalt zelf wanneer hij gaat en een man – een échte man – rent nooit.’

Ik dacht aan mijn vader, die elke ochtend weer de deur uit sprintte om de bus te halen, en knikte. Nooit meer zou ik rennen, voor niets en niemand zou ik mijn pas versnellen. Als bewaker van het grootste geheim van oom Lenny, die tenslotte drager van de militaire Willemsorde en recordhoudend neushoornjager was, zou ik me door niemand de les laten lezen. Ik klikte zo goed en zo kwaad als het ging met de hakken van mijn Kickers, salueerde mijn oom en hield mijn armen strak langs mijn zij. Oom Lenny pakte me bij mijn schouders, draaide me om en kwam naast me staan. Samen stonden we aan de vloedlijn, uitkijkend over zee, naar de meeuwen die – zilverglanzend in het avondlicht – duikvluchten maakten, hun schaduwen als snorren op de golven. Oom Lenny spoog op de grond.

‘Kutbeesten.’

Ik schraapte mijn keel en wilde een grote kwak vlak naast de zijne leggen, maar mijn speeksel was te dik en bleef aan mijn lippen plakken. Een lange draad hing tussen mijn kin en mijn trui.

‘Geeft niks, jongen’, zei mijn oom. Losjes kwam zijn hand op mijn onderrug te rusten.

‘Ome Len?’

‘Ja jongen?’ Een golf sloeg over zijn loafers, maar hij gaf geen krimp.

‘Mogen we al naar huis?’

Hij leek me niet te horen. De Blik reikte over de golven tot aan Engeland, tot Amerika of om de hele wereld heen tot aan onze eigen achterhoofden. ‘Hier ben ik’, fluisterde hij. ‘Kom dan.’

Hij moet hebben voorvoeld wat ons te wachten stond. Zo was mijn oom: het noodlot staarde hij recht in de ogen. Soms wou ik dat hij dat niet had gedaan.

‘Ome Len’, zei ik, ‘ik heb best wel honger?’

Mijn oom liet de Blik varen en keek me aan. Ik voelde iets koels, droogs van achteren mijn broek in glijden. De enveloppe. Zijn knipoog viel samen met de tweede bel voor het eten.

‘Je bent een soldaat’, zei hij. ‘Op een dag zal het lot van het land op deze schouders rusten.’ Hij pakte me stevig bij de bedoelde schouders en drukte me een paar centimeter de grond in. ‘En hier’, zei hij, terwijl hij mijn ballen – toen niet meer dan knikkers – door de stof van mijn zwembroek beetpakte. ‘Wat zijn dit?’

‘Mijn ballen’, zei ik.

‘Wat zeg je, SOLDAAT?’

‘MIJN BALLEN.’

‘Zeker weten’, zei mijn oom. ‘Jij hebt stalen ballen. Net als je oom, net als je vader.’

Ik vond het moeilijk mijn vader te zien als iemand met stalen ballen. Tot op dat moment was ik er vanuit gegaan dat oom Lenny en ik – en misschien mijn moeder – in onze familie de stalen ballen hadden.

Bij onze thuiskomst haalde mijn moeder – een sigaret tussen haar tanden – de macaronischotel uit de oven. Toen het dampende gevaarte op het aanrecht stond schudde ze haar handen tot de wanten eraf vielen en richtte haar wijsvinger op oom Lenny. Mijn moeders wijsvinger, oorspronkelijk gebruikt om schuld toe te wijzen, was met de jaren verworden tot een soort oom Lennydetector. Als mijn oom op bezoek was kon je hem ten allen tijde vinden door De Vinger te volgen, alsof een onzichtbaar draadje haar nagel met de kraag van zijn overhemd verbond.

‘Jij’, zei ze, ‘handen wassen en onmiddellijk aan tafel. Ik sta niet voor de kat zijn kut te koken.’

Ome Len haalde zijn manchetten los en stroopte zijn mouwen op. De knopen waren ivoren olifantjes die hij na een doevakantie in Tanzania van zijn vriend Bernhard gekregen had, en ik wilde niets liever dan die guitige beestjes aanraken, maar mijn moeder tikte op mijn hand en zette me bij mijn vader aan tafel.

Papa, zijn piepschuimen helm als altijd strak onder zijn kin gesnoerd, leunde over de voorpagina van de krant en las de koppen – zoals zijn gewoonte was – door zijn vinger op een letter te zetten en die heel aandachtig uit te spreken.

‘Recessie’, las ik.

Mijn vader knikte, verschoof zijn vinger een letter en zei: ‘Essss.’

Bij later inzien was papa misschien verstandelijk beperkt, maar toen ik jong was bekeek ik dat niet zo. Als erve van het octrooi op de Wislovskykleerhanger onderhield hij zijn gezin zonder problemen, en ook al hoefde hij niet voor zijn geld te werken: hij haastte zich elke ochtend de deur uit om bus 32 te halen, waar de chauffeur al sinds zijn kindertijd de stoel bij de ingang voor hem vrijhield.

Ik wist dat ze Papa in het dorp Hellempie noemden, maar zag daar geen kwaad in. Het was alleen maar handig. In de avond, als ik hem bij de halte ging halen, wist ik meteen welke bus eraan kwam door het silhouet van een levensgroot Legomannetje dat naast de bestuurder zat.

Terwijl we aten kon ik aan niets anders denken dan de envelop met ome Lenny’s grote geheim; de envelop die in mijn broeksband zat en waarvoor ik een veilige plek moest zien te vinden. Ik dacht en dacht en dacht, maar waar in huis zou niemand kijken? Wat bleef nou altijd op zijn plek?

Terwijl mijn moeder oom Lenny doorzaagde over zijn slechte vrienden, zijn banden met het koningshuis en zijn – volgens haar – opgeblazen rol in het ontzet van Oss, keek ik koortsachtig om me heen: de keukenkastjes, de plantenbakken in het raam, de laden en planken van de voorraadkast… niets zou ontsnappen aan mijn moeders oog. Nergens zou het geheim van ome Len veilig blijven.

Toen de macaroni op was viel mijn vader als altijd met zijn hoofd op zijn bord in slaap. Ik at mijn komkommersla en staarde naar de groeven in het piepschuim van zijn helm, naar de butsen en krassen die ik al mijn hele leven kende. Nooit zou ik een plek vinden om mijn brief op te bergen die zo veilig was, die zo gegarandeerd onder mijn moeders radar zou blijven en zo onverwoestbaar was als…

Die nacht, toen ik dacht dat iedereen sliep, opende ik zo stil mogelijk de deur van mijn slaapkamer. Met de brief van oom Lenny opgerold in mijn vuist sloop ik langs mijn moeders deur, die op een kier stond. Toen ik er bijna voorbij was werd mijn aandacht getrokken door wat ik in latere nachtmerries de Vreemde Geluiden ben gaan noemen.

Waarom gaf ik mijn missie geen voorrang boven mijn nieuwsgierigheid? Waarom stopte ik, en hoe kon ik mijn moeders slaapkamerdeur verder openduwen om te zien wat die geluiden veroorzaakte?

Oom Lenny’s ballen, zo zonder kleren, zagen er helemaal niet uit alsof ze van staal waren. Ze lagen er eerder zacht en verrassend haarloos bij. Ome Len bleek helemaal zacht en haarloos en mijn moeder, die ook geen kleren aanhad, leek aan de winnende hand. Bovenop mijn oom gezeten ramde ze hem als een bezetene met haar billen tegen het bed. Oom Lenny – die zich duidelijk al gewonnen had gegeven – jammerde vreselijk, maar mijn moeder ging door. Een deel van me wilde mijn oom te hulp schieten en een ander deel vreesde dat mijn moeder dan hetzelfde met mij zou doen. Ik zette een stap terug, waardoor de vloer kraakte. Mijn moeder draaide zich met een ruk om en stapte van oom Lenny af. In drie passen stond ze voor me, De Vinger in mijn gezicht, en verzekerde me dat als ik ooit-mijn-bek-zou-opendoen-over-wat-ik-hier-gezien-had-mijn-vader-een-gruwelijke-dood-zou-sterven-en-dat-dat-dan-mijn-schuld-zou-zijn. Ik zette het op een rennen. Mijn moeder volgde me de gang op, maar kwam me niet achterna toen ik mijn vaders slaapkamer indook en de deur achter me dichttrok.

Noch het slaan van de deur, noch mijn hijgende aanwezigheid in zijn kamer leken tot mijn vader door te dringen. Hij lag uitgeteld in zijn bed onder het kleurige mobile dat oom Lenny ooit voor hem gemaakt had. Zonder verder te wachten of de kust veilig was maakte ik het bandje van zijn helm los en schoof de brief tussen het piepschuim en mijn vaders schedel. Met trillende vingers trok ik het bandje weer aan; ik wreef over de klittenband en liet mijn slapende vader alleen.

(Gilles van der Loo)

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: