Een betere wereld

Ronald S. maakte in zijn te korte leven hoge pieken en diepe dalen mee. Als spindoctor en ideële reclamegoeroe kende hij vele successen, maar zijn messcherpe politieke instinct had hem ook veel vijanden opgeleverd – niet in de laatste plaats in zijn hoofd. Een hersentumor ter grootte van een golfbal betekende onvermijdelijk zijn vroegtijdige einde. Een einde dat hij, zoals al zijn campagnes, tot in de puntjes had geregisseerd, dacht hij.

Illustratie: Arjen van Lith

Doorgaans gebeurt het alleen bij staatshoofden of geestelijken, maar Ronald S. kreeg eenzelfde behandeling. Op eigen, uitdrukkelijk verzoek en tegen een forse meerprijs werd de man die middels misleiding, karaktermoord en moddergooien de ideële reclame in Nederland groot had gemaakt, niet gewoon begraven maar gebalsemd. De begrafenisondernemer tuurde door zijn leesbril naar een doorligplek op de schouder van S. De overledene was klein van stuk, sterk vermagerd, met een scheve boksersneus en pokdalige wangen door een ver verleden van acne. Een onooglijk mannetje, als je niet beter wist. Toch was hij jarenlang kind aan huis op ministeries, NGO’s en milieuclubs om als een Raspoetin achter de schermen met onvergelijkbaar succes de publieke agenda te bespelen, en ook speelde hij niet onverdienstelijk gitaar[i]. Ongeveer een halfjaar eerder, toen S. op bezoek was geweest om zijn speciale wensen kenbaar te maken en een envelop met geld te overhandigen, was zijn gezicht nog opgezwollen van de medicatie geweest. Ook toen het stoffelijk overschot binnenkwam, had het nog het vollemaansgezicht dat zo kenmerkend is voor prednisongebruikers. In slechts één etmaal was S. letterlijk ingezakt tot op het bot, als een soufflé in een tochtige keuken. Maar de begrafenisondernemer had erger meegemaakt, veel erger zelfs, en het ingevallen gelaat van Ronald S. lag gemasseerd tot een dunne maar vergevingsgezinde glimlach op de stalen tafel in de aflegruimte van het uitvaartcentrum. Voor eeuwig gekneed tot zijn goedlachse, ideale zelfbeeld – of iets dat daar in de buurt kwam, hoopte de begrafenisondernemer.

Op het moment dat een shot formaline door de bloedsomloop van S. vloeide, schreven drie belangrijke personen in zijn leven hun grafrede. Drie mensen die, ieder op hun eigen manier en zonder dat ze elkaar kenden, betrokken waren geweest bij het gekonkel waarmee S. zich had opgewerkt. Drie mensen ook, die zorgvuldig waren geselecteerd om te spreken tijdens de ceremonie; van wie S. had verwacht dat ze zich in de meest zalvende bewoordingen over hem zouden uitlaten. Stuk voor stuk konden ze zich zijn glimlach nog goed herinneren, maar toch voelde geen van hen zich geroepen om een blad voor de mond te nemen. Over de doden niets dan de waarheid, was hun gezamenlijke standpunt, al moet nogmaals benadrukt worden dat geen van hen de anderen goed kende. Hun enige verbintenis lag naakt op de tafel, in een vertrokken grimas onder een laatste douche met een hogedrukspuit.

Dood is dood, maar de omstandigheden waaronder Ronald S. aan zijn einde kwam, zijn allesbehalve alledaags. Zijn huishoudster vond hem op een vrijdagmiddag in zijn werkkamer, geheel gekleed in driedelig grijs, met zijn duster – een groezelig babyblauw ding dat hij het afgelopen jaar onafgebroken had gedragen – als een overjas om de schouders geslagen. Ronald S. zat levenloos achter zijn bureau met een uitgedoofde sigaar tussen de vingers en een pook op schoot. In de haard smeulde een haastig aangemaakt vuur van documenten, USB sticks en twee mobieltjes na, verklaarde zijn werkster later aan de huisarts. Vanwege de stank van verbrand plastic had ze niet de tijd genomen om de zien wat het was dat S. zo graag had willen vernietigen vóór hij zijn laatste adem uitblies. Wel had hij een tevreden uitdrukking op zijn gezicht gehad, zei ze niet zonder opluchting. Ze had S. aangetroffen met zijn hoofd in zijn nek en getuite lippen, alsof er nog ieder moment dikke kringen sigarenrook uit zijn mond konden opstijgen. Zijn lege ogen waren geopend en leken de rookringen na te staren tot boven zijn hoofd, waar ze als een aureool van vergeving steeds verder zouden uitdijen om uiteindelijk op te lossen in het niets.

Agnus Dei/qui tollis peccata mundi/miserere nobis][ii]

“Ronald S. was geen heilige, maar we waren ooit beste vrienden. Beiden hadden we een passie voor schaken, al was hij altijd beter dan ik. Sluwer, doeltreffender en meedogenlozer, maar ook tergend traag, waardoor ik hem gemakkelijk onderschatte. Tot op het laatste moment speelden we partij na partij, op zijn verzoek telkens één zet per dag, zodat we thuis na het werk over onze tegenzet konden nadenken”, zegt Mark F. en kijkt de kerk rond. “Vijfentwintig jaar geleden richtten we samen Een Betere Wereld op, een communicatiebureau gespecialiseerd in ideële reclame dat zich inspande voor een schoner milieu en een eerlijke wereld. Ik was de idealist van de twee, hij de praktijkman die wist hoe je media moest bespelen. ‘De media zijn een wapen’, zei hij altijd. ‘En politiek is weten wanneer je de trekker over moet halen[iii]’. Zoals u destijds in de kranten heeft kunnen lezen, is aan onze samenwerking een abrupt einde gekomen. Begrijp me goed: ik voel niet de behoefte om hier en nu pijnlijke herinneringen op te halen, maar laten we het erop houden dat hij geen moment aarzelde en hard toesloeg na een kort moment van persoonlijke zwakte mijnerzijds: mijn impulsieve, schriftelijke liefdesverklaring aan een stagiair[iv]. Ik werd publiekelijk aan de schandpaal genageld en uit zuiver politieke overwegingen weggesneden[v] uit Een Betere Wereld…”

“Het was half drie ‘s nachts en er stond plotseling een dikke neger in mijn slaapkamer. Een hijgende dikke neger, want de trap naar de derde verdieping was meer dan hij aankon. Ik was niet bang, realiseerde ik me toen met de verbazing van iemand die zichzelf vanaf een afstand bekijkt. Ik vroeg me ook niet af hoe die man in mijn huis gekomen was. De dikke neger ging erbij zitten en leunde voorover met zijn hoofd tussen zijn knieën. ‘Paard naar E5’, wist hij uiteindelijk uit te brengen. Schaakmat. Ronald heeft je ontslagbrief bijgevoegd’. Voorzichtig liep ik naar de vensterbank en vermeed bruuske bewegingen, zodat de dikke neger geen enkele aanleiding had om in actie te komen. Als in slow motion bewoog ik mijn hand naar het bord en verplaatste het zwarte paard op D7, sloeg een witte pion en inderdaad: schaakmat, vastgezet door drie stukken: het paard, de stagiair en de dikke neger. Er was geen enkele uitweg meer en ik heb nooit meer een voet in Een Betere Wereld gezet.”

“Ik was dan ook stomverbaasd toen ik drie weken geleden een brief van hem ontving, na twintig jaar radiostilte. Als u het goedvindt, wil ik hier en nu een deel van die brief voorlezen. Enerzijds omdat de brief een verzoenend, wellicht nieuw licht werpt op de persoon Ronald S., deels ook omdat anderen onder u er juist veel van hem in zullen herkennen. Maar vooral omdat ik het sterke vermoeden heb dat verscheidene aanwezigen hier en nu een soortgelijke brief hebben ontvangen…”  Terwijl Mark F. zijn leesbril openvouwt en de zal rondkijkt, vult de kerk zich met afwachtend gemompel. Een baby begint te huilen.

Beste Mark,

Ik schrijf je deze brief om je te vertellen dat ik niet lang meer zal leven. De kanker haalt me in. Nog even en ik zal mijn verstandelijke vermogens verliezen en onderduiken in een zee van morfine. Voordat het zover is – en ik ben nergens bang voor – wil ik je zeggen dat ik spijt heb. Van heel veel dingen, maar vooral van de duivelse rol die ik in jouw leven heb gespeeld. Geloof me alsjeblieft als ik zeg dat jouw geaardheid geen zwakte is. Ik heb dat nooit gevonden, maar twee kapiteins op één schip zouden ons allemaal stuurloos hebben gemaakt, dacht ik toen.

Ik was destijds verblind door de macht, maar nu mijn rechterhersenhelft het bijna heeft begeven, zie ik in wat ik heb aangericht. Het spijt me dat ik je reputatie heb besmeurd, want we weten beiden dat je die jongen met geen vinger hebt aangeraakt. Het spijt me ook dat je onvrijwillige outing via de Telegraaf moest verlopen en jou je huwelijk heeft gekost. Het was tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend. Misschien ben ik te laat, maar ik bied je alsnog mijn nederige excuses aan.

Het doel heiligt de middelen
“Dames en heren”, roept Mark F. met de armen geheven boven het geroezemoes uit. “Dames en heren, blijft u alstublieft kalm. Ik sta hier niet om Ronald S. door het slijk te halen, maar juist om hem te verdedigen. Ziet u, ik zag toen en nu de noodzaak van mijn vertrek in. Mijn positie was onhoudbaar geworden. Sterker nog: hoewel Ronald me heeft geruïneerd, blijf ik er vast van overtuigd dat hij een goed mens was. Een gewetensvol mens met een innemende glimlach en verheven intenties. Ik hoef u niet te vertellen welke successen Ronald boekte nadat hij aan het hoofd van Een Betere Wereld kwam. Daarom stel ik u en mezelf hier en nu deze fundamentele vraag: hoe kan het goede doen slecht zijn? Ronald kon wakker liggen van het idee dat er een conflict zou kunnen bestaan tussen Een Betere Wereld en datgene wat individuele eerbaarheid en morele rechtvaardigheid van hem zouden vereisen. Sterker nog: ik zeg u hier en nu, als vermeend ‘slachtoffer’, dat er slechts een schijnbaar conflict[vi] bestaat, want Ronald S. heeft zich zijn leven lang voor het goede ingespannen. Jazeker, u hoort het goed, dames en heren. Ik, het slachtoffer, de gedupeerde, pleit Ronald S. hier en nu, beter laat dan nooit, volledig vrij. Vol-le-dig.” Mark F. hamert op het spreekgestoelte om zijn woorden kracht bij te zetten. “En wat stelt een misdaad nog voor als het slachtoffer de aanklacht intrekt?”

Mark F. voelt zich voldaan en vitaal als hij het spreekgestoelte afdaalt. Zeer vitaal zelfs. ‘Ik ben het lam’, prevelt hij binnensmonds. Het offerlam dat zich gewillig naar de slachtbank liet leiden om de goden te behagen. Destijds had het hem pijn gedaan, maar hier en nu ziet hij die rol ineens hij wel zitten. Met een mooie jonge beul en de juiste rekwisieten kan het toch nog een mooie dag worden, denkt hij en hij onderdrukt met moeite de dierlijke geilheid, de hormonale viering van het leven die zo vaak gevoeld wordt tijdens begrafenissen. Maar hij houdt zijn gezicht in een ernstige plooi als hij terugloopt naar zijn stoel. Terloops werpt hij een blik op de open kist en – misschien verbeeldt hij het zich? – ziet dat de geboetseerde glimlach op het gezicht van Ronald S. iets breder is geworden.

Judex ergo cum sedebit/Quidquid latet apparebit/Nil inultum remanebit/Quid sum miser tunc dicturus?/Quem patronum rogaturus/Cum vix justus sit securus?[vii]

En god zag dat het niet goed was
“Ik ken de meesten onder u niet, want zoals u misschien heeft ervaren, verving Ronald bij ieder nieuw huwelijk ook zijn volledige vriendenkring. Ik ben Johanna van C., de eerste vrouw van Ronald, en nu dus zijn derdehands weduwe. Ik zou u graag vertellen dat het liefde was die ons tot elkaar bracht, maar ons huwelijk werd min of meer gearrangeerd[viii]. Mijn vader had een groot petrochemisch bedrijf en zag ons huwelijk als goede publiciteit. Ronald zocht geld om zijn imperium op te bouwen, want vergis u niet, dames en heren: het ging Ronald altijd om status en macht. Ons huwelijk is altijd kinderloos gebleven, dus namen we ter compensatie een chocoladebruine labrador die we Puppy noemden, omdat we hoopten dat hij altijd onze kleine zou blijven. En inderdaad, Puppy is altijd een puppy gebleven, want hij heeft slechts vier maanden geleefd. Hij verdween spoorloos op het moment dat Ronald naar Groot-Brittannië ging om opnames te maken van overstromingen in opdracht van een grote milieuorganisatie. Ronald had verstand van media en wist als geen ander het sentiment te bespelen. Dat merkte ik een halfjaar later toen ik die kleine terugzag op televisie in een reclame voor een beter milieu. Puppy…” Johanna tovert een zakdoek uit haar mouw en dept haar ogen droog. “…Excuus… Onze Puppy trappelde voor zijn leven rond in het koude water,  wanhopig op zoek naar houvast. Ik wist meteen zeker dat het onze kleine was, want de camera zoomde in op zijn oogjes vlak voordat hij door de stroming meegesleurd werd[ix]. Ronald vertelde me dat het filmpje een recordbedrag aan donaties voor zijn opdrachtgever had opgeleverd en dat Puppy dus niet voor niets was gestorven, maar ons huwelijk was op dat moment voorbij. Hij toonde geen enkel berouw. Ronald zou vlak voor zijn einde excuusbrieven hebben rondgestuurd? Laat me niet lachen. Ikzelf heb er tenminste nooit eentje ontvangen, terwijl ons kind, mijn kindje, mijn… Puppy… zonder scrupules als een pion werd opgeofferd. U mag best weten dat ik thuis zijn voederbak nog steeds in de bijkeuken heb staan. Iedere dag gluur ik even om een hoekje om te kijken of hij misschien terug is en hongerig naar me opkijkt, maar Puppy is niet meer. Als er een hemel is, denk ik niet dat hij Ronald daar ooit tegen zal komen, want ik geloof niet, zoals meneer F. zojuist beweerde, dat Ronald vrij van zonden is – al heeft hij drie planeten gered.” Met een scheve blik kijkt Johanna naar de plek waar haar ex-echtgenoot ligt opgebaard. De hoek is net te klein om hem te kunnen zien liggen, maar de lucht boven de kist lijkt te zinderen als boven heet asfalt op een zomermiddag. Ze wendt haar ogen af en richt zich weer tot de zaal, die doodstil geworden is. “Ik wil de prestaties van mijn ex-man niet bagatelliseren, maar Ronald kon kwaadaardig zijn. Zijn kwalijke intenties hebben misschien positieve effecten gehad[x], maar vergeeft u mij dat ik zijn harteloosheid zwaarder laat wegen dan een volle rampgiro’s, een tevreden klant of zelfs een schoner milieu. Dit, dames en heren, was niets minder dan moord.”

Terwijl de laatste woorden van Johanna van C. nog nagalmen, vullen zware voetstappen de verstomde kerk als pater Jan van K[xi]. naar de preekstoel loopt. Terwijl de geestelijke de trap bestijgt, tilt hij zijn pij wat op, waardoor cowboylaarzen met zilveren sporen zichtbaar worden.

Yadayadayada”, galmt Jan van K. plechtig in de microfoon terwijl hij zijn kaakspieren aanklemt. Met zijn ondermaatse postuur komt hij nauwelijks boven de microfoon uit, maar zijn stem draagt tot in de verste uithoeken van de kerk. Door het voortschrijden van de tijd lijkt zijn eens voetbalronde hoofd het verloren te hebben van de zwaartekracht en balanceert als een liggend ei op zijn dunne nek. Twee heldere, sterk uitvergrote ogen achter een zwartomrande plusbril nemen de menigte in zich op. “Vergeeft u mijn profane taalgebruik, dames en heren, maar ik heb het gevoel dat ik moet ingrijpen. We zijn hier niet alleen bijeen om Ronald S. te gedenken, maar ook om te óverdenken wat hij betekend heeft voor ons allemaal. Waar hij past in het grotere, goddelijke ontwerp. Terwijl de collecte rondgaat en het koor zingt, gaat u dan voor uzelf na welke rol Ronald S. in uw leven heeft gespeeld. Want er is geen beter inzicht dan inzicht achteraf.”

Gezang:

Thus every part was full of vice
Yet the Whole mass a paradice;
Flatter’d in Peace, and fear’d in wars
They were th’esteem of foreigners
And lavish of their wealth and lives
The balance of all other hives.

Such were the blessings of that state
Their crimes conspired to make ‘em great;
And vertue, who from Politics
Had learn’d a thousand cunning tricks,
Was, by their happy influence,
Made friends with vice: and ever since
The worst of all the multitude
Did something for the common good
[xii]

Hij die zonder zonde is
“We hadden elkaar jarenlang niet gezien, maar in zijn studententijd gingen Ronald en ik veel met elkaar om en ook in de aanloop naar zijn einde hebben we weer veel met elkaar gesproken”, zegt Jan van K. met de intieme, maar krachtige toon van een geoefend retoricus. “Anders dan u tot nu toe gehoord heeft, had Ronald wel degelijk besef van goed en kwaad. Zijn leven overziend, maakte hij zich grote zorgen over wat hem te wachten stond in het hiernamaals. Hij begreep dat hij zondig was geworden, maar zag tegelijkertijd ook de noodzaak daarvan in. ‘Geen Betere Wereld zonder een mes op tafel’, zei hij tegen mij. Ik verstond hem destijds wel maar begreep hem niet, ondanks mijn Jezuïtische achtergrond. Nu we allemaal door de noodzaak van zijn dood gedwongen zijn om ons in het enigma Ronald S. te verdiepen, durf ik te stellen dat hij – hoewel afgedreven van kerk en geloof – in essentie een goed mens was, maar dat hij heeft moeten leren om juist niet goed te durven zijn[xiii]; op zich al een trieste noodzaak. Er is hier vandaag, op deze treurige dag, veel gesproken over goed en kwaad, over moreel en immoreel, maar ook een betere wereld is niet perfect en blijft tot in de eeuwigheid een aards koninkrijk, geregeerd door machtshonger, egocentrisme en corruptie. Geachte aanwezigen, in de spaarzame minuten, de weinige meters die ons resten tot de eindbestemming van Ronald S., wil ik u verzoeken om in uw eigen hart te kijken en daar dankbaarheid te vinden. Dankbaar dat Ronald S. namens u allen zijn handen vuil gemaakt heeft. Hij deed het uit naam van ons, opdat wij in zijn droom verder kunnen leven. Jezus zei: ‘Hij die zonder zonde is, werpe de eerste steen’. Kent u die uitdrukking? ‘Oordeel niet’, wil hij daarmee zeggen, maar hij bedoelt ook dat de zonde overdrachtelijk is en dat ieder van ons een deel van Ronald S. met ons meedraagt. Zijn daden komen voort uit onze afgeschoven verantwoordelijkheid[xiv]. Het feit dat u hier in zulke groten getale aanwezig bent om afscheid van hem te nemen, maakt die last alleen maar lichter en dat is een grote troost. Het stelt ons ook in staat om Ronald S., samen, op onze handen gedragen, naar zijn laatste rustplaats te begeleiden.”

Vanuit de buik van de kerk tot aan het open graf vormt zich een lange, roerloze rij rouwenden. Het enige wat beweegt is de kist met daarin het glimlachende omhulsel van Ronald S. De gewetenloze wereldverbeteraar die tijdens zijn leven nooit geliefd genoeg was om te crowdsurfen op zijn bewonderaars, wordt bij zijn dood van hand tot hand doorgegeven, boven de hoofden van de zwijgende, achtergebleven zondaars, op weg naar zijn betere wereld.

Dit artikel is eerder verschenen in Credits#4 2008, themanummer ‘Politiek’, Credits Media, Amsterdam.


[i] Het karakter van Ronald S. is losjes gebaseerd op Harvey LeRoy – Lee – Atwater, de beruchte campagnestrateeg van de Amerikaanse Republikeinse partij. Atwater stond bekend als een politieke boeman die met niets ontziende bloeddorst zijn tegenstanders naar de strot vloog. Hoewel hij tijdens de presidentscampagne van George H.W. Bush in 1988 werd beschuldigd van onverholen racisme, won Atwater de verkiezingen voor zijn kandidaat. De beschuldigingen werden overigens tegengesproken door de vele zwarte vrienden van Atwater, die in hem een ‘black man in a white body’ zagen. Naast zijn politieke successen oogstte hij ook veel lof voor zijn gitaarspel en zijn gevoel voor de blues. Lee Atwater stierf in 1991 op 40-jarige leeftijd. Zie: Boogie Man: the Lee Atwater Story (PBS, 2008).

[ii] Lam Gods/dat wegneemt de zonden der wereld/ontferm U over ons.

[iii] Vrij naar The Godfather III (Francis Ford Coppola, 1991): Money is a gun. Politics is knowing when to pull the trigger.

[iv] Seksuele schandalen zijn van alle tijden. Mark F. is gemodelleerd naar de Amerikaanse Republikeinse Afgevaardigde Mark Foley, die in september 2006 de tragische hoofdrol vertolkte in een soortgelijke affaire. Hij trad terug na onthullingen over seksueel getinte e-mails aan zijn 16-jarige medewerker – op Capitol Hill een ‘Page’ genoemd. Hoewel Foley aanvankelijk bekende maar later weer net zo hard ontkende, liet hij er nooit enige twijfel over bestaan dat de onthullingen niets meer waren dan een smerig opzetje van politieke tegenstrevers.

[v] Dat vriendschap en zaken slecht samengaan, illustreert de documentaire Startup.com (2001), over het internetbedrijf van boezemvrienden Kaleil Isaza Tuzman (de commerciële jongen) en Tom Herman (de nerd). Naarmate hun bedrijf meegroeit met de internetbubble, neemt het onderlinge vertrouwen tussen beide oprichters omgekeerd evenredig af. Uiteindelijk wordt Herman onder politiebegeleiding zijn eigen gebouw uitgegooid.

[vi] Mark F. neemt hier het klassieke, Romeinse standpunt over het probleem van de vuile handen in: Cicero weerspreekt in De Officiis (44 v.Chr.) dat er sprake is van een conflict tussen de individuele eer en politieke moraal. Hij lost het dilemma van de vuile handen op door het te ontkennen: trouw aan Rome is voor ieder mens het hoogst haalbare. Eerloosheid en kwaadaardigheid lijken soms ten gunste van dat hoogste ideaal te werken, maar in werkelijkheid is dat vrijwel nooit het geval. Anderzijds kunnen sommige daden wellicht moreel verwerpelijk lijken, maar dat feitelijk niet zijn. Hoe dan ook: het algemeen belang overstijgt individuele eerbaarheid in die zeldzame gevallen dat ze daadwerkelijk met elkaar in aanvaring komen.

[vii] Wanneer de rechter zijn plaats inneemt/alles dat verborgen is zal verschijnen/Niets zal ongewroken blijven/Wat zal ik, een ondeugd, dan zeggen?/Op welke beschermer zal ik een beroep doen/Wanneer zelfs de gegronde mens ternauwernood veilig is?

[viii] Johanna van C. leent haar naam van Johanna van Castilië (1479-1555), de labiele echtgenote van de Spaanse koning Philips de Schone. Na de dood van Philips in 1505 knakte Johanna definitief. Ze liet het stoffelijk overschot van haar man in haar slaapkamer plaatsen en opende iedere dag de kist, in de hoop dat hij weer tot leven was gekomen. Hoewel ze haar leven lang officieel Koningin van Castilië is gebleven, liet haar zoon Karel V, keizer van het Heilige Roomse Rijk, haar opsluiten in een kasteel in Tordesillas, waar ze tot haar dood niet meer uitkwam.

[ix] De werkelijkheid is soms angstaanjagender dan fictie. De Deense journalist Leif Blaedel toonde in 1986 aan dat Greenpeace, de grootste milieuorganisatie ter wereld, dierenbeulen had betaald om kangaroes gruwelijk te laten martelen voor een promotiefilm. Greenpeace procedeerde tegen deze onthullingen, maar verloor: de rechter oordeelde dat de mishandelingen in scène waren gezet en de dierenbeulen werden veroordeeld. Niettemin ging de Deense tak van Greenpeace door met de distributie van de film, totdat de toenmalige mediadirecteur Peter Dykstra de film in de ban deed wegens ‘integriteitproblemen’ (Uit: Leslie Spencer, The not so peaceful world of Greenpeace, Forbes, 11 november, 1991). Hoewel  Greenpeace ook bij aandere schandalen betrokken zou zijn geweest, moet bij de motieven van Blaedel wel een kanttekening gemaakt worden: Denemarken heeft heel wat te winnen bij negatieve publiciteit over Greenpeace. Het land leeft al decennialang op voet van oorlog met de organisatie vanwege conflicterende denkbeelden over de walvisvaart.

[x] Johanna van C. leent haar argumentatie van Sint Augustinus, die in Over de stad Gods (De civitate Dei, 413-427) onderscheid maakt tussen het door liefde gestuurde rijk Gods en de door egoïsme geregeerde aardse staat. In een typisch katholieke spagaat stelt hij dat de ondeugd de deugd imiteert, en dat – door een slimme truc van God – menselijke imperfecties daarom toch kunnen leiden tot wenselijke, positieve resultaten. Of een daad zondig of zedig is, valt niet af te leiden uit de uitkomst van die handeling. In tegenstelling tot Mark F. legt Johanna van C. vooral de nadruk op de intentie van Ronald S. om Puppy koelbloedig de dood in te jagen en minder op de positieve uitkomsten van de moord.

[xi] Ronald S. had Jan van K. leren kennen bij het studentenekklesia, waar Van K. destijds voorging. Zijn keuze voor de vooruitstrevende geestelijke lijkt niet toevallig: hoewel de twee elkaar jarenlang niet meer hadden gesproken en Ronald S. zijn geloof lang geleden had afgeworpen, had Jan van K. altijd een luisterend oor, juist voor diegenen voor wie er geen redding meer was.

[xii] Uit: The Fable of the Bees. Or: Private Vices, Public Benefits (1714) door Bernard Mandeville. De van oorsprong Nederlandse Mandeville voerde in dit gedicht een bijenkorf op, waarin iedere afzonderlijke bij corrupt, misdadig en egoïstisch was. Toch leidt de optelsom van al die kleine vergrijpen samen tot de best mogelijke samenleving. The Fable of the Bees heeft grote invloed gehad op de economie. Adam Smith’s onzichtbare hand gaat uit van eenzelfde principe: alle individuele behoeften vormen samen het ideale evenwicht tussen vraag en aanbod.

[xiii] In tegenstelling tot Cicero en Augustinus doet de Italiaanse filosoof en politicus Niccolò Machiavelli (1469-1529) geen enkele poging om het probleem van de vuile handen te verbloemen. Hij zegt expliciet dat politiek succes onmogelijk is zonder moreel verwerpelijk gedrag. Zijn belangrijkste werk, De Heerser (Il Principe, 1513), wordt beschouwd als het standaardwerk over politiek leiderschap, een handboek voor machtsrealisten.

[xiv] De Britse humanist Thomas More (1478-1535) en de filosoof Thomas Hobbes (1588-1679) democratiseren het vuile handenprobleem en verdelen de zonde democratisch over iedereen. De politicus is slechts aangewezen om namens het volk te handelen.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: