Amsterdamse koorts

In Amsterdam lijkt niemand te werken. Tijdens kantooruren zitten de terrassen propvol en de stad ontwaakt pas rond het middaguur. Toch geldt het als het creatieve Mekka van  Nederland. Het gemeentebestuur trok vorig jaar tientallen miljoenen belastingeuro’s uit om de ‘creatieve industrie’ te ondersteunen en van Amsterdam het bruisende ideeëncentrum  van Europa te maken, inclusief een nieuw Stedelijk Museum*. Maar bij Jochem Werther, één van de duizenden creatieven in de hoofdstad, heeft de stad de stekker er langzaam uitgetrokken.  Een jong multitalent dat dapper vocht maar uiteindelijk bezweek aan de gevolgen van de ‘Amsterdamse Koorts’.

Aan de hand van gesprekken met nabestaanden en  (e-mail)correspondenties van het slachtoffer reconstrueerde Credits Magazine de zwanenzang van een hoofdstedelijk wonderkind.

Tot eind 2004 ontving Jochem een WIK-uitkering ter ondersteuning van beginnende kunstenaars. Na stopzetting van zijn toelage verdween hij definitief in de categorie ‘onbemiddelbaar’.

Het Idee
Jochem was gezegend, want Jochem had een Idee. Een Idee dat alle andere ideeën overbodig zou verklaren en hem rijk, beroemd en onsterfelijk zou maken. Nu Jochems as is  uitgestrooid boven de Reguliersdwarsstraat, waakt zijn familie als een roedel Dobbermans over zijn erfenis. Want Jochem mag dan dood en opgebrand zijn; zijn gedachtegoed is nog  altijd springlevend. Daarom is het ons op last van de advocaten van zijn nabestaanden nadrukkelijk verboden zijn Idee openbaar te maken. Het enige wat we hier kwijt kunnen, is dat het  iets te maken heeft met multimedia, het reality-genre en met Jochem zelf. Misschien hebt u genoeg aan deze cryptische beschrijving, beste lezer, en denkt u de rest zelf in te kunnen  vullen om uw voordeel ermee te doen, maar dan onderschat u de slagvaardigheid van de nabestaanden, hun juridische team en – belangrijker nog – het unieke genie van de bedenker. Want er was maar één Jochem.

Net als de grootste revoluties begon het allemaal klein, op zijn zolderkamertje in Amsterdam Osdorp en in Zuid, waar Jochem na zeven jaar nog bijna dagelijks op de Gerrit Rietveld  Academie te vinden was. Officieel is hij daar nooit toegelaten, maar hij liet zich door dat soort futiliteiten niet weerhouden. Hij volgde lessen fotografie en hing rond bij de colleges v.A.V., een schimmige discipline die staat voor ‘voorheen Audio Visueel’, maar wat de vakgroep onder die nieuwe naam dan wél behelsde, was niemand duidelijk – ook Jochem niet. In die tijd  was hij al volop met het reality-genre bezig en bewees zijn vernieuwingsdrang met diaprojecties van zijn probleemhuid op de kantinemuur en eeuwige video-loops van zijn blote voeten die achtereenvolgens door water, zand, glas en uitwerpselen liepen en weer terug. Hij had er een paar lelijke infecties en een tetanusprik aan overgehouden, maar ook lovende – officieuze  – beoordelingen van zijn docenten, die vooral zijn “verfrissende gebrek aan respect voor de esthetische traditie” prezen en een glanzende toekomst in de mode of keramiek voor  hem weggelegd zagen. Eigenlijk was Jochem’s talent overal toepasbaar, zeiden ze, zolang hij zich maar niet langer audiovisueel uitdrukte. Maar vanaf dat moment vlamde in Jochem juist díe ambitie hoog op. In zijn hoofd groeide het besef dat hij zijn eigen leven te gelde kon maken, louter door het vast te leggen en aan een zo breed mogelijk publiek te presenteren. Na zijn studie experimenteerde hij in de avonduren wat met camerahelmen en videodagboeken, maar hij zag pas echt het licht in 2004, na een kroegentocht met de aankomende reclameregisseur R. die – in aanloop naar zijn grote doorbraak – de kost verdiende als thuiskweker voor een coffeeshop op de Nieuwmarkt. Hij was het die Jochem niet als mens zag,  maar als een product dat op multimediale wijze aan de man gebracht moest worden. Aan zijn beste vriendin Dagmar schreef Jochem:

“Die avond is hij nooit op komen dagen”, zegt Dagmar, alsof ze toen al had moeten weten hoe het met Jochem zou aflopen. Eigenlijk is ze comédienne, maar sinds haar afstudeervoorstelling aan een privaat kleinkunstschooltje op Kattenburg zit ze in een “creatieve burnout” en kwam ze dertig kilo aan. Al drie jaar pouleert ze wijnglazen in een nachtkroeg, en al drie jaar voelt ze zich schuldig. “Niet omdat dit stom werk is”, zegt ze snel, “maar omdat ik domweg de tijd niet had om Jochem verder te helpen met zijn carrière. Jochem is zó briljant, dat ie zichzelf af ten toe in de voet schiet. Ik had meteen naar hem toe moeten gaan. Hem met beide benen op de grond moeten zetten, maar ik had er de puf niet voor. Toen hij twee maanden later naar de bar kwam, was het eigenlijk al te laat. Hij was niet meer in staat om zijn idee – hoe geniaal ook – terug te brengen tot werkbare proporties. Hij ging zweven en is nooit meer geland.”

De Koorts
Zijn oorspronkelijke opzet groeide gestaag uit tot een wijdvertakt totaalconcept dat Jochem boven zijn hoofd groeide. Wat begon als een relatief sterk Idee, verwaterde gestaag in een onontwarbaar web van half uitgewerkte krabbels op bierviltjes en morsige servetten. Erger nog: op zijn nachtelijke ‘inspriratietochten’ liep hij een groeiend aantal dolende zielsverwanten tegen het lijf, die allemaal een graantje van zijn toekomstige succes wilden meepikken. Regisseur R. bleek slechts de eerste in een lange stoet: would-be telecomjongens, dramaturgen, dichters, muzikanten en acteurs drongen zich hijgerig aan hem op en zagen in Jochem hun ontsnapping uit een roem- en troosteloos bestaan als telemarketeer of garderobemedewerker. Jochem nam ze allemaal aan boord. Iedereen die een rondje gaf en een compliment uitdeelde, mocht meedoen. Na een radiostilte van maanden mailde hij Dagmar:

Gedreven door de vele verleidingen van de stad hield Jochem kantoor tussen elf uur ’s avonds en vijf uur ’s nachts op wisselende locaties in het centrum. Algehele vermoeidheid lag op de loer, nét op het moment dat zijn Idee – dat de grenzen van het voorstelbare nu ruimschoots voorbij was – toch van de grond leek te komen. In de zomer van 2005 liep hij de eigenaar van een dotcombedrijf tegen het lijf. Die leek bereid de eerste uitzendingen te sponsoren en noodzakelijke faciliteiten te betalen. Maar op de eerste concrete bespreking in anderhalf jaar liet Jochem verstek gaan:

“Hij had het gewoon alleen met mij moeten doen”, snikt Dagmar. Ze droogt haar ogen met haar theedoek. “Samen hadden we het zeker gered. Maar Jochem wilde altijd alles delen met iedereen: zijn lichaam, zijn talenten en ook zijn Idee. Daardoor is alle energie eruit weggelekt. Als zoveel creatieve klaplopers zich ermee gaan bemoeien, wordt de spoeling te dun.” Ze kijkt naar buiten. Wanneer een clubje Britse hooligans scanderend voorbij loopt, springt ze op een draait de deur op slot. “Het eigenaardige is, dat Jochem zonder noemenswaardige resultaten te boeken toch een bepaalde bekendheid kreeg. Voor een niet-bekende Nederlander had hij zijn maximum aan roem bereikt: hij sprak op congressen, deed openingen en speelde dagvoorzitter voor creatieve fora. Allemaal net genoeg om zijn huur te betalen en zijn verslavingen te bekostigen. Maar ondertussen zag ik hem bijna nooit meer. Hij leefde alleen ’s nachts. Hij was een monster geworden. Een feestbeest met een te groot hart.”

De deadline
Wat Jochem precies de das heeft omgedaan, is onduidelijk. Zijn artsen spreken van een combinatie van chronische vermoeidheid, excessief drugsgebruik, een verwaarloosde syfilisinfectie en een stressgerelateerde hartaandoening. De feestdagen had hij nog doorgebracht bij zijn ouders in Breda, en hij was als herboren teruggekomen. Maar Jochem naderde de dertig en zag die deadline onvermijdelijk op zich af komen. Wilde hij zijn reputatie van wonderkind voor eeuwig kunnen voeren, dan moest het succes nu snel komen. Met dubbel enthousiasme stortte hij zich in zijn oude ritme, met fatale afloop. Op 23 juni van dit jaar, drie weken na zijn overlijden en twee dagen voor zijn verjaardag, brak de GG&GD zijn appartement open. De elektriciteit was afgesloten en in de zomerhitte verspreidde hij een enorme stank. Dagmar moest hem identificeren: “Ik herkende hem eerst niet eens. Zijn gezicht was vervormd en had een onbeschrijflijke kleur. Overal wondjes. De kamer was bezaaid met papiertjes vol telefoonnummers, organogrammen van toekomstige ondernemingen, flyers voor feesten en de meest waanzinnige aanvullingen op het Idee. Het was alsof ik het huis van een seriemoordenaar in een thriller binnenliep.” Ze pauzeert om haar pols te checken. “Behalve zijn familie en ik is niemand naar zijn crematie gekomen. Al die zogenaamde stadsvrienden hadden hun aandacht alweer verlegd naar het volgende slachtoffer van de Amsterdamse Koorts. Ergens ben ik daar nog blij om ook, want buiten ons had niemand daar iets te zoeken.” Werktuigelijk pakt ze haar theedoek. “Ik ben veranderd. De komedie is voorgoed uit me verdwenen. Laat mij maar gewoon pouleren. Het liefst ergens in een dorp op de hei, ver weg van hier. ” Dan bukt ze achter de toog en haalt een rouwkaart uit haar tas. “Deze neem ik overal mee naartoe”, mompelt ze met overslaande stem. “Want misschien was hij niet de man voor mij, maar hij was wel in álles mijn man.”

Vrij naar Gerard Reve (1996): ‘Amsterdam is een lugubere feesttent waarop een vloek schijnt te rusten, want welk talent men ook moge hebben: wie daar blijft zitten zal nooit iets bereiken.'

Bent u ook creatief in Amsterdam en heeft u behoefte aan nazorg? Mail dan naar nazorg@lithium.nu.

Dit artikel is eerder verschenen in Credits#4, 2006, themanummer ‘De creatieve industrie’, Credits Media, Amsterdam.

Voetnoten:
*Amsterdam Creatieve Stad. Kunstplan 2005-2008 (Gemeente Amsterdam, 2004)


Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: