Een betere wereld

February 9, 2010

Ronald S. maakte in zijn te korte leven hoge pieken en diepe dalen mee. Als spindoctor en ideële reclamegoeroe kende hij vele successen, maar zijn messcherpe politieke instinct had hem ook veel vijanden opgeleverd – niet in de laatste plaats in zijn hoofd. Een hersentumor ter grootte van een golfbal betekende onvermijdelijk zijn vroegtijdige einde. Een einde dat hij, zoals al zijn campagnes, tot in de puntjes had geregisseerd, dacht hij.

Illustratie: Arjen van Lith

Doorgaans gebeurt het alleen bij staatshoofden of geestelijken, maar Ronald S. kreeg eenzelfde behandeling. Op eigen, uitdrukkelijk verzoek en tegen een forse meerprijs werd de man die middels misleiding, karaktermoord en moddergooien de ideële reclame in Nederland groot had gemaakt, niet gewoon begraven maar gebalsemd. De begrafenisondernemer tuurde door zijn leesbril naar een doorligplek op de schouder van S. De overledene was klein van stuk, sterk vermagerd, met een scheve boksersneus en pokdalige wangen door een ver verleden van acne. Een onooglijk mannetje, als je niet beter wist. Toch was hij jarenlang kind aan huis op ministeries, NGO’s en milieuclubs om als een Raspoetin achter de schermen met onvergelijkbaar succes de publieke agenda te bespelen, en ook speelde hij niet onverdienstelijk gitaar[i]. Ongeveer een halfjaar eerder, toen S. op bezoek was geweest om zijn speciale wensen kenbaar te maken en een envelop met geld te overhandigen, was zijn gezicht nog opgezwollen van de medicatie geweest. Ook toen het stoffelijk overschot binnenkwam, had het nog het vollemaansgezicht dat zo kenmerkend is voor prednisongebruikers. In slechts één etmaal was S. letterlijk ingezakt tot op het bot, als een soufflé in een tochtige keuken. Maar de begrafenisondernemer had erger meegemaakt, veel erger zelfs, en het ingevallen gelaat van Ronald S. lag gemasseerd tot een dunne maar vergevingsgezinde glimlach op de stalen tafel in de aflegruimte van het uitvaartcentrum. Voor eeuwig gekneed tot zijn goedlachse, ideale zelfbeeld – of iets dat daar in de buurt kwam, hoopte de begrafenisondernemer.

Op het moment dat een shot formaline door de bloedsomloop van S. vloeide, schreven drie belangrijke personen in zijn leven hun grafrede. Drie mensen die, ieder op hun eigen manier en zonder dat ze elkaar kenden, betrokken waren geweest bij het gekonkel waarmee S. zich had opgewerkt. Drie mensen ook, die zorgvuldig waren geselecteerd om te spreken tijdens de ceremonie; van wie S. had verwacht dat ze zich in de meest zalvende bewoordingen over hem zouden uitlaten. Stuk voor stuk konden ze zich zijn glimlach nog goed herinneren, maar toch voelde geen van hen zich geroepen om een blad voor de mond te nemen. Over de doden niets dan de waarheid, was hun gezamenlijke standpunt, al moet nogmaals benadrukt worden dat geen van hen de anderen goed kende. Hun enige verbintenis lag naakt op de tafel, in een vertrokken grimas onder een laatste douche met een hogedrukspuit.

Dood is dood, maar de omstandigheden waaronder Ronald S. aan zijn einde kwam, zijn allesbehalve alledaags. Zijn huishoudster vond hem op een vrijdagmiddag in zijn werkkamer, geheel gekleed in driedelig grijs, met zijn duster – een groezelig babyblauw ding dat hij het afgelopen jaar onafgebroken had gedragen – als een overjas om de schouders geslagen. Ronald S. zat levenloos achter zijn bureau met een uitgedoofde sigaar tussen de vingers en een pook op schoot. In de haard smeulde een haastig aangemaakt vuur van documenten, USB sticks en twee mobieltjes na, verklaarde zijn werkster later aan de huisarts. Vanwege de stank van verbrand plastic had ze niet de tijd genomen om de zien wat het was dat S. zo graag had willen vernietigen vóór hij zijn laatste adem uitblies. Wel had hij een tevreden uitdrukking op zijn gezicht gehad, zei ze niet zonder opluchting. Ze had S. aangetroffen met zijn hoofd in zijn nek en getuite lippen, alsof er nog ieder moment dikke kringen sigarenrook uit zijn mond konden opstijgen. Zijn lege ogen waren geopend en leken de rookringen na te staren tot boven zijn hoofd, waar ze als een aureool van vergeving steeds verder zouden uitdijen om uiteindelijk op te lossen in het niets.

Agnus Dei/qui tollis peccata mundi/miserere nobis][ii]

“Ronald S. was geen heilige, maar we waren ooit beste vrienden. Beiden hadden we een passie voor schaken, al was hij altijd beter dan ik. Sluwer, doeltreffender en meedogenlozer, maar ook tergend traag, waardoor ik hem gemakkelijk onderschatte. Tot op het laatste moment speelden we partij na partij, op zijn verzoek telkens één zet per dag, zodat we thuis na het werk over onze tegenzet konden nadenken”, zegt Mark F. en kijkt de kerk rond. “Vijfentwintig jaar geleden richtten we samen Een Betere Wereld op, een communicatiebureau gespecialiseerd in ideële reclame dat zich inspande voor een schoner milieu en een eerlijke wereld. Ik was de idealist van de twee, hij de praktijkman die wist hoe je media moest bespelen. ‘De media zijn een wapen’, zei hij altijd. ‘En politiek is weten wanneer je de trekker over moet halen[iii]’. Zoals u destijds in de kranten heeft kunnen lezen, is aan onze samenwerking een abrupt einde gekomen. Begrijp me goed: ik voel niet de behoefte om hier en nu pijnlijke herinneringen op te halen, maar laten we het erop houden dat hij geen moment aarzelde en hard toesloeg na een kort moment van persoonlijke zwakte mijnerzijds: mijn impulsieve, schriftelijke liefdesverklaring aan een stagiair[iv]. Ik werd publiekelijk aan de schandpaal genageld en uit zuiver politieke overwegingen weggesneden[v] uit Een Betere Wereld…”

“Het was half drie ‘s nachts en er stond plotseling een dikke neger in mijn slaapkamer. Een hijgende dikke neger, want de trap naar de derde verdieping was meer dan hij aankon. Ik was niet bang, realiseerde ik me toen met de verbazing van iemand die zichzelf vanaf een afstand bekijkt. Ik vroeg me ook niet af hoe die man in mijn huis gekomen was. De dikke neger ging erbij zitten en leunde voorover met zijn hoofd tussen zijn knieën. ‘Paard naar E5’, wist hij uiteindelijk uit te brengen. Schaakmat. Ronald heeft je ontslagbrief bijgevoegd’. Voorzichtig liep ik naar de vensterbank en vermeed bruuske bewegingen, zodat de dikke neger geen enkele aanleiding had om in actie te komen. Als in slow motion bewoog ik mijn hand naar het bord en verplaatste het zwarte paard op D7, sloeg een witte pion en inderdaad: schaakmat, vastgezet door drie stukken: het paard, de stagiair en de dikke neger. Er was geen enkele uitweg meer en ik heb nooit meer een voet in Een Betere Wereld gezet.”

“Ik was dan ook stomverbaasd toen ik drie weken geleden een brief van hem ontving, na twintig jaar radiostilte. Als u het goedvindt, wil ik hier en nu een deel van die brief voorlezen. Enerzijds omdat de brief een verzoenend, wellicht nieuw licht werpt op de persoon Ronald S., deels ook omdat anderen onder u er juist veel van hem in zullen herkennen. Maar vooral omdat ik het sterke vermoeden heb dat verscheidene aanwezigen hier en nu een soortgelijke brief hebben ontvangen…”  Terwijl Mark F. zijn leesbril openvouwt en de zal rondkijkt, vult de kerk zich met afwachtend gemompel. Een baby begint te huilen.

Beste Mark,

Ik schrijf je deze brief om je te vertellen dat ik niet lang meer zal leven. De kanker haalt me in. Nog even en ik zal mijn verstandelijke vermogens verliezen en onderduiken in een zee van morfine. Voordat het zover is – en ik ben nergens bang voor – wil ik je zeggen dat ik spijt heb. Van heel veel dingen, maar vooral van de duivelse rol die ik in jouw leven heb gespeeld. Geloof me alsjeblieft als ik zeg dat jouw geaardheid geen zwakte is. Ik heb dat nooit gevonden, maar twee kapiteins op één schip zouden ons allemaal stuurloos hebben gemaakt, dacht ik toen.

Ik was destijds verblind door de macht, maar nu mijn rechterhersenhelft het bijna heeft begeven, zie ik in wat ik heb aangericht. Het spijt me dat ik je reputatie heb besmeurd, want we weten beiden dat je die jongen met geen vinger hebt aangeraakt. Het spijt me ook dat je onvrijwillige outing via de Telegraaf moest verlopen en jou je huwelijk heeft gekost. Het was tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend. Misschien ben ik te laat, maar ik bied je alsnog mijn nederige excuses aan.

Het doel heiligt de middelen
“Dames en heren”, roept Mark F. met de armen geheven boven het geroezemoes uit. “Dames en heren, blijft u alstublieft kalm. Ik sta hier niet om Ronald S. door het slijk te halen, maar juist om hem te verdedigen. Ziet u, ik zag toen en nu de noodzaak van mijn vertrek in. Mijn positie was onhoudbaar geworden. Sterker nog: hoewel Ronald me heeft geruïneerd, blijf ik er vast van overtuigd dat hij een goed mens was. Een gewetensvol mens met een innemende glimlach en verheven intenties. Ik hoef u niet te vertellen welke successen Ronald boekte nadat hij aan het hoofd van Een Betere Wereld kwam. Daarom stel ik u en mezelf hier en nu deze fundamentele vraag: hoe kan het goede doen slecht zijn? Ronald kon wakker liggen van het idee dat er een conflict zou kunnen bestaan tussen Een Betere Wereld en datgene wat individuele eerbaarheid en morele rechtvaardigheid van hem zouden vereisen. Sterker nog: ik zeg u hier en nu, als vermeend ‘slachtoffer’, dat er slechts een schijnbaar conflict[vi] bestaat, want Ronald S. heeft zich zijn leven lang voor het goede ingespannen. Jazeker, u hoort het goed, dames en heren. Ik, het slachtoffer, de gedupeerde, pleit Ronald S. hier en nu, beter laat dan nooit, volledig vrij. Vol-le-dig.” Mark F. hamert op het spreekgestoelte om zijn woorden kracht bij te zetten. “En wat stelt een misdaad nog voor als het slachtoffer de aanklacht intrekt?”

Mark F. voelt zich voldaan en vitaal als hij het spreekgestoelte afdaalt. Zeer vitaal zelfs. ‘Ik ben het lam’, prevelt hij binnensmonds. Het offerlam dat zich gewillig naar de slachtbank liet leiden om de goden te behagen. Destijds had het hem pijn gedaan, maar hier en nu ziet hij die rol ineens hij wel zitten. Met een mooie jonge beul en de juiste rekwisieten kan het toch nog een mooie dag worden, denkt hij en hij onderdrukt met moeite de dierlijke geilheid, de hormonale viering van het leven die zo vaak gevoeld wordt tijdens begrafenissen. Maar hij houdt zijn gezicht in een ernstige plooi als hij terugloopt naar zijn stoel. Terloops werpt hij een blik op de open kist en – misschien verbeeldt hij het zich? – ziet dat de geboetseerde glimlach op het gezicht van Ronald S. iets breder is geworden.

Judex ergo cum sedebit/Quidquid latet apparebit/Nil inultum remanebit/Quid sum miser tunc dicturus?/Quem patronum rogaturus/Cum vix justus sit securus?[vii]

En god zag dat het niet goed was
“Ik ken de meesten onder u niet, want zoals u misschien heeft ervaren, verving Ronald bij ieder nieuw huwelijk ook zijn volledige vriendenkring. Ik ben Johanna van C., de eerste vrouw van Ronald, en nu dus zijn derdehands weduwe. Ik zou u graag vertellen dat het liefde was die ons tot elkaar bracht, maar ons huwelijk werd min of meer gearrangeerd[viii]. Mijn vader had een groot petrochemisch bedrijf en zag ons huwelijk als goede publiciteit. Ronald zocht geld om zijn imperium op te bouwen, want vergis u niet, dames en heren: het ging Ronald altijd om status en macht. Ons huwelijk is altijd kinderloos gebleven, dus namen we ter compensatie een chocoladebruine labrador die we Puppy noemden, omdat we hoopten dat hij altijd onze kleine zou blijven. En inderdaad, Puppy is altijd een puppy gebleven, want hij heeft slechts vier maanden geleefd. Hij verdween spoorloos op het moment dat Ronald naar Groot-Brittannië ging om opnames te maken van overstromingen in opdracht van een grote milieuorganisatie. Ronald had verstand van media en wist als geen ander het sentiment te bespelen. Dat merkte ik een halfjaar later toen ik die kleine terugzag op televisie in een reclame voor een beter milieu. Puppy…” Johanna tovert een zakdoek uit haar mouw en dept haar ogen droog. “…Excuus… Onze Puppy trappelde voor zijn leven rond in het koude water,  wanhopig op zoek naar houvast. Ik wist meteen zeker dat het onze kleine was, want de camera zoomde in op zijn oogjes vlak voordat hij door de stroming meegesleurd werd[ix]. Ronald vertelde me dat het filmpje een recordbedrag aan donaties voor zijn opdrachtgever had opgeleverd en dat Puppy dus niet voor niets was gestorven, maar ons huwelijk was op dat moment voorbij. Hij toonde geen enkel berouw. Ronald zou vlak voor zijn einde excuusbrieven hebben rondgestuurd? Laat me niet lachen. Ikzelf heb er tenminste nooit eentje ontvangen, terwijl ons kind, mijn kindje, mijn… Puppy… zonder scrupules als een pion werd opgeofferd. U mag best weten dat ik thuis zijn voederbak nog steeds in de bijkeuken heb staan. Iedere dag gluur ik even om een hoekje om te kijken of hij misschien terug is en hongerig naar me opkijkt, maar Puppy is niet meer. Als er een hemel is, denk ik niet dat hij Ronald daar ooit tegen zal komen, want ik geloof niet, zoals meneer F. zojuist beweerde, dat Ronald vrij van zonden is – al heeft hij drie planeten gered.” Met een scheve blik kijkt Johanna naar de plek waar haar ex-echtgenoot ligt opgebaard. De hoek is net te klein om hem te kunnen zien liggen, maar de lucht boven de kist lijkt te zinderen als boven heet asfalt op een zomermiddag. Ze wendt haar ogen af en richt zich weer tot de zaal, die doodstil geworden is. “Ik wil de prestaties van mijn ex-man niet bagatelliseren, maar Ronald kon kwaadaardig zijn. Zijn kwalijke intenties hebben misschien positieve effecten gehad[x], maar vergeeft u mij dat ik zijn harteloosheid zwaarder laat wegen dan een volle rampgiro’s, een tevreden klant of zelfs een schoner milieu. Dit, dames en heren, was niets minder dan moord.”

Terwijl de laatste woorden van Johanna van C. nog nagalmen, vullen zware voetstappen de verstomde kerk als pater Jan van K[xi]. naar de preekstoel loopt. Terwijl de geestelijke de trap bestijgt, tilt hij zijn pij wat op, waardoor cowboylaarzen met zilveren sporen zichtbaar worden.

Yadayadayada”, galmt Jan van K. plechtig in de microfoon terwijl hij zijn kaakspieren aanklemt. Met zijn ondermaatse postuur komt hij nauwelijks boven de microfoon uit, maar zijn stem draagt tot in de verste uithoeken van de kerk. Door het voortschrijden van de tijd lijkt zijn eens voetbalronde hoofd het verloren te hebben van de zwaartekracht en balanceert als een liggend ei op zijn dunne nek. Twee heldere, sterk uitvergrote ogen achter een zwartomrande plusbril nemen de menigte in zich op. “Vergeeft u mijn profane taalgebruik, dames en heren, maar ik heb het gevoel dat ik moet ingrijpen. We zijn hier niet alleen bijeen om Ronald S. te gedenken, maar ook om te óverdenken wat hij betekend heeft voor ons allemaal. Waar hij past in het grotere, goddelijke ontwerp. Terwijl de collecte rondgaat en het koor zingt, gaat u dan voor uzelf na welke rol Ronald S. in uw leven heeft gespeeld. Want er is geen beter inzicht dan inzicht achteraf.”

Gezang:

Thus every part was full of vice
Yet the Whole mass a paradice;
Flatter’d in Peace, and fear’d in wars
They were th’esteem of foreigners
And lavish of their wealth and lives
The balance of all other hives.

Such were the blessings of that state
Their crimes conspired to make ‘em great;
And vertue, who from Politics
Had learn’d a thousand cunning tricks,
Was, by their happy influence,
Made friends with vice: and ever since
The worst of all the multitude
Did something for the common good
[xii]

Hij die zonder zonde is
“We hadden elkaar jarenlang niet gezien, maar in zijn studententijd gingen Ronald en ik veel met elkaar om en ook in de aanloop naar zijn einde hebben we weer veel met elkaar gesproken”, zegt Jan van K. met de intieme, maar krachtige toon van een geoefend retoricus. “Anders dan u tot nu toe gehoord heeft, had Ronald wel degelijk besef van goed en kwaad. Zijn leven overziend, maakte hij zich grote zorgen over wat hem te wachten stond in het hiernamaals. Hij begreep dat hij zondig was geworden, maar zag tegelijkertijd ook de noodzaak daarvan in. ‘Geen Betere Wereld zonder een mes op tafel’, zei hij tegen mij. Ik verstond hem destijds wel maar begreep hem niet, ondanks mijn Jezuïtische achtergrond. Nu we allemaal door de noodzaak van zijn dood gedwongen zijn om ons in het enigma Ronald S. te verdiepen, durf ik te stellen dat hij – hoewel afgedreven van kerk en geloof – in essentie een goed mens was, maar dat hij heeft moeten leren om juist niet goed te durven zijn[xiii]; op zich al een trieste noodzaak. Er is hier vandaag, op deze treurige dag, veel gesproken over goed en kwaad, over moreel en immoreel, maar ook een betere wereld is niet perfect en blijft tot in de eeuwigheid een aards koninkrijk, geregeerd door machtshonger, egocentrisme en corruptie. Geachte aanwezigen, in de spaarzame minuten, de weinige meters die ons resten tot de eindbestemming van Ronald S., wil ik u verzoeken om in uw eigen hart te kijken en daar dankbaarheid te vinden. Dankbaar dat Ronald S. namens u allen zijn handen vuil gemaakt heeft. Hij deed het uit naam van ons, opdat wij in zijn droom verder kunnen leven. Jezus zei: ‘Hij die zonder zonde is, werpe de eerste steen’. Kent u die uitdrukking? ‘Oordeel niet’, wil hij daarmee zeggen, maar hij bedoelt ook dat de zonde overdrachtelijk is en dat ieder van ons een deel van Ronald S. met ons meedraagt. Zijn daden komen voort uit onze afgeschoven verantwoordelijkheid[xiv]. Het feit dat u hier in zulke groten getale aanwezig bent om afscheid van hem te nemen, maakt die last alleen maar lichter en dat is een grote troost. Het stelt ons ook in staat om Ronald S., samen, op onze handen gedragen, naar zijn laatste rustplaats te begeleiden.”

Vanuit de buik van de kerk tot aan het open graf vormt zich een lange, roerloze rij rouwenden. Het enige wat beweegt is de kist met daarin het glimlachende omhulsel van Ronald S. De gewetenloze wereldverbeteraar die tijdens zijn leven nooit geliefd genoeg was om te crowdsurfen op zijn bewonderaars, wordt bij zijn dood van hand tot hand doorgegeven, boven de hoofden van de zwijgende, achtergebleven zondaars, op weg naar zijn betere wereld.

Dit artikel is eerder verschenen in Credits#4 2008, themanummer ‘Politiek’, Credits Media, Amsterdam.


[i] Het karakter van Ronald S. is losjes gebaseerd op Harvey LeRoy – Lee – Atwater, de beruchte campagnestrateeg van de Amerikaanse Republikeinse partij. Atwater stond bekend als een politieke boeman die met niets ontziende bloeddorst zijn tegenstanders naar de strot vloog. Hoewel hij tijdens de presidentscampagne van George H.W. Bush in 1988 werd beschuldigd van onverholen racisme, won Atwater de verkiezingen voor zijn kandidaat. De beschuldigingen werden overigens tegengesproken door de vele zwarte vrienden van Atwater, die in hem een ‘black man in a white body’ zagen. Naast zijn politieke successen oogstte hij ook veel lof voor zijn gitaarspel en zijn gevoel voor de blues. Lee Atwater stierf in 1991 op 40-jarige leeftijd. Zie: Boogie Man: the Lee Atwater Story (PBS, 2008).

[ii] Lam Gods/dat wegneemt de zonden der wereld/ontferm U over ons.

[iii] Vrij naar The Godfather III (Francis Ford Coppola, 1991): Money is a gun. Politics is knowing when to pull the trigger.

[iv] Seksuele schandalen zijn van alle tijden. Mark F. is gemodelleerd naar de Amerikaanse Republikeinse Afgevaardigde Mark Foley, die in september 2006 de tragische hoofdrol vertolkte in een soortgelijke affaire. Hij trad terug na onthullingen over seksueel getinte e-mails aan zijn 16-jarige medewerker – op Capitol Hill een ‘Page’ genoemd. Hoewel Foley aanvankelijk bekende maar later weer net zo hard ontkende, liet hij er nooit enige twijfel over bestaan dat de onthullingen niets meer waren dan een smerig opzetje van politieke tegenstrevers.

[v] Dat vriendschap en zaken slecht samengaan, illustreert de documentaire Startup.com (2001), over het internetbedrijf van boezemvrienden Kaleil Isaza Tuzman (de commerciële jongen) en Tom Herman (de nerd). Naarmate hun bedrijf meegroeit met de internetbubble, neemt het onderlinge vertrouwen tussen beide oprichters omgekeerd evenredig af. Uiteindelijk wordt Herman onder politiebegeleiding zijn eigen gebouw uitgegooid.

[vi] Mark F. neemt hier het klassieke, Romeinse standpunt over het probleem van de vuile handen in: Cicero weerspreekt in De Officiis (44 v.Chr.) dat er sprake is van een conflict tussen de individuele eer en politieke moraal. Hij lost het dilemma van de vuile handen op door het te ontkennen: trouw aan Rome is voor ieder mens het hoogst haalbare. Eerloosheid en kwaadaardigheid lijken soms ten gunste van dat hoogste ideaal te werken, maar in werkelijkheid is dat vrijwel nooit het geval. Anderzijds kunnen sommige daden wellicht moreel verwerpelijk lijken, maar dat feitelijk niet zijn. Hoe dan ook: het algemeen belang overstijgt individuele eerbaarheid in die zeldzame gevallen dat ze daadwerkelijk met elkaar in aanvaring komen.

[vii] Wanneer de rechter zijn plaats inneemt/alles dat verborgen is zal verschijnen/Niets zal ongewroken blijven/Wat zal ik, een ondeugd, dan zeggen?/Op welke beschermer zal ik een beroep doen/Wanneer zelfs de gegronde mens ternauwernood veilig is?

[viii] Johanna van C. leent haar naam van Johanna van Castilië (1479-1555), de labiele echtgenote van de Spaanse koning Philips de Schone. Na de dood van Philips in 1505 knakte Johanna definitief. Ze liet het stoffelijk overschot van haar man in haar slaapkamer plaatsen en opende iedere dag de kist, in de hoop dat hij weer tot leven was gekomen. Hoewel ze haar leven lang officieel Koningin van Castilië is gebleven, liet haar zoon Karel V, keizer van het Heilige Roomse Rijk, haar opsluiten in een kasteel in Tordesillas, waar ze tot haar dood niet meer uitkwam.

[ix] De werkelijkheid is soms angstaanjagender dan fictie. De Deense journalist Leif Blaedel toonde in 1986 aan dat Greenpeace, de grootste milieuorganisatie ter wereld, dierenbeulen had betaald om kangaroes gruwelijk te laten martelen voor een promotiefilm. Greenpeace procedeerde tegen deze onthullingen, maar verloor: de rechter oordeelde dat de mishandelingen in scène waren gezet en de dierenbeulen werden veroordeeld. Niettemin ging de Deense tak van Greenpeace door met de distributie van de film, totdat de toenmalige mediadirecteur Peter Dykstra de film in de ban deed wegens ‘integriteitproblemen’ (Uit: Leslie Spencer, The not so peaceful world of Greenpeace, Forbes, 11 november, 1991). Hoewel  Greenpeace ook bij aandere schandalen betrokken zou zijn geweest, moet bij de motieven van Blaedel wel een kanttekening gemaakt worden: Denemarken heeft heel wat te winnen bij negatieve publiciteit over Greenpeace. Het land leeft al decennialang op voet van oorlog met de organisatie vanwege conflicterende denkbeelden over de walvisvaart.

[x] Johanna van C. leent haar argumentatie van Sint Augustinus, die in Over de stad Gods (De civitate Dei, 413-427) onderscheid maakt tussen het door liefde gestuurde rijk Gods en de door egoïsme geregeerde aardse staat. In een typisch katholieke spagaat stelt hij dat de ondeugd de deugd imiteert, en dat – door een slimme truc van God – menselijke imperfecties daarom toch kunnen leiden tot wenselijke, positieve resultaten. Of een daad zondig of zedig is, valt niet af te leiden uit de uitkomst van die handeling. In tegenstelling tot Mark F. legt Johanna van C. vooral de nadruk op de intentie van Ronald S. om Puppy koelbloedig de dood in te jagen en minder op de positieve uitkomsten van de moord.

[xi] Ronald S. had Jan van K. leren kennen bij het studentenekklesia, waar Van K. destijds voorging. Zijn keuze voor de vooruitstrevende geestelijke lijkt niet toevallig: hoewel de twee elkaar jarenlang niet meer hadden gesproken en Ronald S. zijn geloof lang geleden had afgeworpen, had Jan van K. altijd een luisterend oor, juist voor diegenen voor wie er geen redding meer was.

[xii] Uit: The Fable of the Bees. Or: Private Vices, Public Benefits (1714) door Bernard Mandeville. De van oorsprong Nederlandse Mandeville voerde in dit gedicht een bijenkorf op, waarin iedere afzonderlijke bij corrupt, misdadig en egoïstisch was. Toch leidt de optelsom van al die kleine vergrijpen samen tot de best mogelijke samenleving. The Fable of the Bees heeft grote invloed gehad op de economie. Adam Smith’s onzichtbare hand gaat uit van eenzelfde principe: alle individuele behoeften vormen samen het ideale evenwicht tussen vraag en aanbod.

[xiii] In tegenstelling tot Cicero en Augustinus doet de Italiaanse filosoof en politicus Niccolò Machiavelli (1469-1529) geen enkele poging om het probleem van de vuile handen te verbloemen. Hij zegt expliciet dat politiek succes onmogelijk is zonder moreel verwerpelijk gedrag. Zijn belangrijkste werk, De Heerser (Il Principe, 1513), wordt beschouwd als het standaardwerk over politiek leiderschap, een handboek voor machtsrealisten.

[xiv] De Britse humanist Thomas More (1478-1535) en de filosoof Thomas Hobbes (1588-1679) democratiseren het vuile handenprobleem en verdelen de zonde democratisch over iedereen. De politicus is slechts aangewezen om namens het volk te handelen.


Before-After: broedplaatsen

February 8, 2010

De krakersbolwerken uit de jaren ´80 en ´90, met loodsen vol antimonarchistische zwerfvuilkunst, stonden model voor de broedplaatsen waarop Amsterdam nu al haar creatieve hoop gevestigd heeft: zelfs het Stedelijk is antikraak. Hebben de anarchistische hotspots die verstikkende gemeentelijke omarming overleefd? En waar gebeurt het nu allemaal? Een aselecte rondgang langs subculturele monumenten van voor en na de inpoldering.

Graansilo

BEFORE -- Westerdoksdijk 51 -- De voormalige Graansilo Segmij. Gezien vanaf de Van Diemenstraat (1997). Ondergrondse scheppingskracht met festivals, filmsets en honderden ongewassen kunstenaars. Gekraakt in 1989 - ontruimd in 1998 (Gemeentearchief Amsterdam).

AFTER -- Westerdoksdijk 51 -- Appartementen aan de Silodam (2006). Hip wonen tegen elke prijs: wethoder Kramer verloor zijn baan door speculatie op dure koopwoningen. Zo mooi dat je de deur niet meer uitkomt. “De parkeerlift laat het regelmatig afweten” (AvL)

NDSM Werf

BEFORE -- Scheepsonderdelenmagazijn (1976). (Gemeentearchief Amsterdam).

AFTER -- Everland Skatepark (2006). De grootste broedplaats van Nederland biedt ruimte aan MTV Networks, de IJ-Kantine en een hiphopschool. Wonen verboden: in de atelierdozen onder de skatebaan mogen kunstenaars geen nacht slapen (AvL).

Lloyd Hotel

BEFORE -- Oostelijke Handelskade 34 -- De voormalige Rijksinrichting voor Jongens (1989). In de jaren ‘90 was het Lloyd Hotel een woon-/werkpand voor kunstenaars uit het voormalige Joegoslavië. Ontruimd in 1998 (Gemeentearchief Amsterdam).


AFTER -- Oostelijke Handelskade 34 -- Lloyd Hotel (geopend sinds 2004). Indeling: 120 kamers, 2 restaurants, culturele ambassade, opnamestudio en bibliotheek. Badkamer op de gang (AvL).

Entrepotdok

BEFORE -- Entrepotdok 86 -- Interieur magazijn 'West' (1914). Opslag van de firma Hekker & Co (Gemeentearchief Amsterdam).


AFTER -- Entrepotdok 86 -- Dok Architecten (2006). 49 creatieven in loondienst. Betrok het complex in mei 2004 als Atelier Zeinstra Van der Pol (AvL).

Met dank aan het Gemeentearchief Amsterdam.

Deze fotoserie is eerder verschenen in Credits#4, 2006, themanummer ‘De Creatieve Industrie’, Credits Media, Amsterdam.


De ruïnes van creatief Amsterdam

February 7, 2010

De staat van het Stedelijk. Fotografie: Mannschaft

Van 25 tot 29 september vindt op het Amsterdamse Westergasfabriekterrein het festival Picnic plaats, een festival waar creatieve geesten in media, entertainment, kunst en wetenschap samen komen om nieuwe, grensverleggende ideeën op te doen. In de begeleidende reclamespot slalomt burgemeester Job Cohen op een eenwieler langs de grachten om de aangehechte prijsvraag, de Green Challenge te promoten: 500.000 euro voor het beste, duurzame en innovatieve businessmodel. Allround tycoon Richard Branson komt langs om nieuwe revoluties aan te kondigen en verder zal het terrein gevuld zijn met hippe gympen onder dure pakken en strenge VPRO-brillen onder asymmetrische kapsels. Binnen Nederland lijkt Amsterdam de enige aangewezen kandidaat voor een dergelijk festival. De stad geldt als het creatieve Mekka van Nederland, het Parijs van de polder waar iedereen met ook maar de geringste creatieve aanvechting naar wil ontsnappen. Amsterdam is de culturele kampioen van Nederland, maar wie daadwerkelijk iets wil bereiken, dient er juist zo ver mogelijk vandaan te blijven.

Picnic roept bezoekers op om hun ‘brein te ontkurken’. Dat klinkt lekker, maar juist in deze slogan ligt een belangrijke handicap van Amsterdam besloten: je kunt geen kroeg binnenlopen of het bedienend personeel is eigenlijk acteur, dichter, stylist of ontwerper. Maar nu even niet, want er moet ook brood op de plank komen. Volksschrijver Gerard Reve had het goed in de gaten: ‘Amsterdam is een lugubere feesttent waarop een vloek schijnt te rusten, want welk talent men ook moge hebben: wie daar blijft zitten zal nooit iets bereiken.’  De verleidingen van de grote stad hebben altijd kunstenaars en buitenbeentjes aangetrokken. Hemingway zat niet in Parijs vanwege de Tuilerieën. Het rauwe darwinisme en wulpse hedonisme van de metropool werken als een magneet op de creatieve geest. Amsterdam is daarop geen uitzondering. Geen andere stad in Nederland kan zich met droge ogen een metropool noemen. Vandaar dat Amsterdam van oudsher veruit de meeste creatieve massa heeft aangetrokken. In 2005 verschafte de zogenoemde creatieve industrie (een rekbaar begrip, maar in de meeste definities bestaat die uit de kunsten, media en entertainment en creatieve dienstverlening) werk aan ruim 31.000 mensen, meer dan twee keer zoveel als de nummers twee en drie, Utrecht en Rotterdam. Andere steden beginnen langzaam het licht te zien en lanceren koortsachtig – maar met wisselend succes – programma’s als ‘Staphorst Creative Capitol of Europe’ of ‘Rotterdam, City of Architecture’. Toch ontberen zij de recente, licht anarchistische geschiedenis van Amsterdam, die de kiem legde voor een luidruchtige, levendige underground scene waaruit de huidige culturele elite is ontsproten.

Krakers bezetten de halve binnenstad in de jaren ’70 en ’80, en injecteerden de stad met een flinke shot subculturele adrenaline. In toenmalige bolwerken als de Graansilo, Het Handelsblad en de Kalenderpanden werd voortdurend creatief gepicknickt, maar geen enkele burgemeester heeft er ooit een stap over de drempel gezet. In de jaren ’90 werden de kraakpanden met grof geweld ontruimd en nu stampt de stad de ene broedplaats na de andere uit de grond in een poging om eenzelfde creatieve bedrijvigheid van bovenaf te stimuleren – dit keer gevrijwaard van onfrisse freaks, rotte tanden en soa’s. Netjes weggeharkt naar de randen van de stad worden deze nieuwe inspiratiecentra overladen met fondsen, WiFi-netwerken en centrale verwarming, maar de kunstenaar, de maatschappelijke idioot is uit het Amsterdamse straatbeeld verdwenen.

Job Cohen zou er goed aan doen zich verre te houden van de creatieve sector, wil hij die tot volle bloei zien komen. De burgemeester, die eigenhandig ‘de boel bij elkaar’ wil houden, fungeert als een ziekelijke weekmaker voor de creatieve sector. Creativiteit valt niet in te polderen maar moet juist compromisloos, confronterend en nutteloos zijn. Teveel subsidies maken de kunstenaar lui, introvert en terughoudend om commerciële partners te zoeken. Het huidige broedplaatsenbeleid berooft de binnenstad van haar bruisende dynamiek. De kunstenaar is gedomesticeerd. Zijn werk, ooit bedoeld om de schoonheid te dienen of een spiegel voor te houden, wordt afgemeten aan doelmatigheid, politieke correctheid of groen bewustzijn.

Niet alleen de creatieve fabriekjes, maar ook de kunsthuizen hebben het moeilijk. Amsterdam zit in een museale crisis. Het Rijksmuseum wordt verbouwd en waar ooit het Stedelijk Museum stond gaapt nu een grote, stinkende wond in de culturele boezem van de stad. De collectie verhuisde naar de ruïnes van het voormalige postsorteercentrum in een andere bouwput, ditmaal naast het Centraal Station. Of de moderne kunst ooit weer terugkeert naar het Museumplein is zeer de vraag: de Commissie Sanders (ingesteld door PvdA-wethouder Hannah Belliot) stelde vier jaar geleden een nieuw nieuwbouwplan op dat vijf keer zo duur is als het oorspronkelijke ontwerp van 58 miljoen euro. Sindsdien is er niets zichtbaars gebeurd.

Ondertussen trekken talenten weg naar gemeenten waar goede werkruimte financieel nog op te brengen is, of naar creatieve centra in het buitenland. Twintig jaar geleden was de voertaal op de Amsterdamse Rietveld Academie nog Duits. Nu is spreekt de helft van de kunststudenten in Berlijn Nederlands. De uitgeverswereld is geland in Hoofddorp en Amsterdam Zuid-Oost. De meest winstgevende sector binnen de creatieve industrie, de creatieve dienstverlening, is de binnenstad uitgejaagd. Sinds eind jaren tachtig vluchtten reclamebureaus onder de druk van torenhoge huurprijzen naar Amstelveen. Internetbedrijven vochten hun weg terug omhoog nadat de dotcombubble uiteen spatte, maar voor het eerst in hun korte bestaansgeschiedenis is Amsterdam niet langer hun favoriete standplaats. De dynamiek, het arbeidsethos en de betaalbaarheid van Rotterdam genieten nu hun voorkeur. Daarnaast heeft Rotterdam de Nederlandse filmindustrie stevig in haar greep en geldt de Maasstad als hét architectuurcentrum in Nederland.

Daar waar Job Cohen en consorten zich sterk zouden moeten maken voor de stad – grote projecten als nieuwe musea, restauraties en een vriendelijk vestigingsbeleid voor de creatieve klasse – laten ze het afweten. Waar ze niets te zoeken hebben en waar de spontaniteit haar werk moet doen – in broedplaatsen, het creatieve proces, het hoofd van de kunstenaar – daar steken ze wel hun neus in.

Ook zijn de stadsbestuurders niet te beroerd om kunstuitingen voor hun politieke karretje te spannen. Burgemeester Cohen stond vooraan bij de onthulling van De Schreeuw, een monument voor Theo van Gogh, maar drinkt net zo makkelijk op kousenvoeten een kopje thee met onverdraagzame imams, want: bij elkaar houden, die boel. Zo raakt de traditionele rol van de kunstenaar als maatschappijcriticus uitgespeeld in een stad waarin tegenstellingen en conflicten worden ontkend en intolerantie wordt gedoogd. Amsterdams tolerante klimaat staat op de helling en dat moet de stad zich aantrekken, want misschien is dat het enige gebied waar de politiek de creatieve sector daadwerkelijk van dienst kan zijn. Bij de onthulling van De Schreeuw bewees Cohen op hoge toon lippendienst aan de vrijheid van meningsuiting, maar verbond daaraan geen enkele concrete maatregel. Dit is wat de (polariserende) opiniemaker Afshin Ellian  de ‘Cohenisering van het publieke debat’ noemt: de vrijwillige politieke censuur ter wille van het bewaren van de goede lieve vrede. Een doorbraak is voorlopig dus nog niet in zicht.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in het weekblad Opinio, 4 oktober 2007.


Four Letter Word

February 7, 2010

Het is verzengend heet als ik mijn fiets tegen de gevel van Hotel The Grand smijt. Ik heb een afspraak met een superster. Mijn iPod maakt een abrupt einde aan Never Say Never, de come-backplaat van de Kim Wilde, die hier op de vierde verdieping audiëntie houdt. Ik ken haar nog uit de tijd van Rubik’s kubus, toen ze de zolderkamermuren van mijn schoolvriendjes sierde en de meisjes hun haar net zo blond bleekten. In die tijd was Kim Wilde een icoon, een  Sirene in  gebleekte jeans die mannen op drift deed slaan met haar foutloze popliedjes, ijl en schijnbaar moeiteloos ingezongen. Niets doet vermoeden dat ze twintig jaar later aan zangkracht heeft ingeboet: op de fiets probeerde ik te raden welke songs op Never Say Never nieuw en welke oud waren, maar ik kon ze niet van elkaar onderscheiden. Misschien klinkt op een iPod alles eigentijds.

Klokslag drie uur marcheer ik naar de receptie, waar het personeel me met geoefende nonchalance negeert. Ik check mijn mobieltje om urgentie uit te stralen als Daniëlle, het meisje van de platenmaatschappij, recht op me af komt huppelen. “Haihai, Kim loopt ietsjes uit en wil zich even opfrissen, maar over een kwartier ben je zeker aan de beurt. Spannend hè?” Mijn overhemd plakt tegen mijn oksels. Ik knik en speur naar een toilet; wil me ook even opfrissen…

“Spannend hè?” Daniëlle herhaalt haar mantra alsof ze me ergens van wil overtuigen. Ze leidt me naar de foyer. Daar word ik voorgesteld aan Nick, Kim’s manager, die zoals alle middelbare muziekbobo’s zijn midlife-crisis bevecht met Bono als voornaamste stijlwapen. Hij geeft een slap handje, veegt die met fladderende bewegingen af aan zijn vintage t-shirt en gaat snel weer zitten achter zijn laptop. “Nice to meet you”, probeer ik nog. Achter een lichtgetinte zonnebril vernauwen zijn ogen zich tot streepjes. “Yeah yeah”, smaalt z’n ringbaard. Zijn mobieltje trilt en opgelucht begint hij een mompelgesprek terwijl hij door zijn ongeopende email scrollt. Ik ga uit zijn blikveld zitten en vang iets op over “settling the German issue”. Met hulp van popnymf Nena en de Pruisische producer Joern-Uwe Fahrenkrog-Petersen richt Kim haar come-back kennelijk vooral op de Heimat, waar blond nog altijd heerst.

Spannend is het zeker, want ik kom hier met een verborgen agenda. In The Grand werkt namelijk een duizeligmakend mooie jongeman als kamermeisje. Ik ken hem uit de stad. Hij is de ware reden van mijn komst. Eerdere toenaderingspogingen in de kroeg zijn stuk voor stuk stukgelopen op een onthutsende klunzigheid mijnerzijds, maar nu ben ik voorbereid. Een journalist. Een onderzoeker. Een prof. Ik sta op en ga op zoek naar een toilet. Hoopvol drentel ik langs de kamers. Wie weet loopt hij voorbij in een nét iets te klein hoteluniformpje dat spant op de juiste plekken…

Niet de platinablonde megaster, maar juist de donkere verschijning van de kamerjongen doet me zweten als kaas in de zomerzon, denk ik als ik een handvol water over mijn gezicht plens. Ik begrijp nu welk Four Letter Word Kim bedoelde: niet ‘love’, ‘hate’, en zelfs geen ‘fu*k’, maar ‘Jeff’ is de lettercombinatie die het vocht langs mijn rug laat lopen [om reden van privacy geef ik hem hier een gefingeerde identiteit, maar zijn werkelijke naam is even kort en krachtig]. Hij loopt hier nu ook door de gangen, fantaseer ik, terwijl ik op weg terug naar de foyer links en rechts deuren probeer. Hotelseks heeft me altijd al opgewonden en de temperatuur lijkt nog verder op te lopen bij mijn verhitte herinterpretatie van het woord ‘roomservice’. Jeff heeft alle sleutels van alle kamers, dus ook die van Kim. Belangrijker nog: hij weet welke vrij zijn. Ik zie hem licht wiegend voor me liggen op de golfslag van een waterbed, gretig en bezweet – net als ik, maar dan minder klam. Naakt ook, met alles erop en eraan, gewillig en klantgericht zoals alleen Jeff dat kan zijn…

Dat interview met Kim Wilde begint steeds meer een hinderlijk obstakel te vormen voor wat ik beschouw als de full body treatment waar ik domweg recht op heb. Iedere seconde met die vrouw gaat van mijn tijd af, moet je maar denken. Achter Daniëlle lopen mijn bedompte voetstappen op het hoogpolige tapijt in de maat van de soundtrack van mijn hormoonspiegel: You came, and changed the way I feel / No one could love you more… Ik moet zo bij Kim naar binnen, maar Jeff is nergens te bekennen…

Daniëlle is over twintig “minuutjes” terug en draait de deur achter me op slot, want beroemdheden horen achter slot en grendel. Een verstikkende geur van stervende lelies vult de ijskoud geconditioneerde suite en ik aanschouw wat met ‘opfrissen’ wordt bedoeld: in een traag neerdalende wolk van rouge en foundation zit wat het persbericht omschrijft als ‘The Most Successful Female British Pop Star Ever’, blonder dan ooit in een zwart herenpak. Onder de pleistoceenlaag van make-up zijn nog net de contouren van de zangeres te zien, maar ze had ook Belinda Carlisle of die middelste Bananarama kunnen zijn. Haar leeftijd is onmogelijk te schatten. Ik heb nog geen vraag gesteld, maar dat blijkt voor haar geen enkele belemmering: “Ik heb een heel moeilijke verhouding met Kids in America”, zegt ze, om maar bij het begin te beginnen. “Voor dit album zijn al mijn oude hits opnieuw opgenomen, en samen met Ash-gitariste Charlotte Heatherley heb ik dat nummer opnieuw ingezongen. Het is heerlijk om samen de last van mijn eerste grote hit te dragen.”

…Ik hoopte dit soort cliché’s juist te vermijden door níet bij het begin te beginnen maar ergens voorbij de helft, voorbij haar haat-liefde-verhouding met de grote doorbraak. Die glanzende carrière, die geloof ik wel. Hoe eerder ik hier weg kan, des te meer tijd ik overhoud voor mijn rechtmatige tête-a-tête met Jeff in een vacante jacuzzi. Mijn plan is om de 14 nummer 1-hits, de tien miljoen verkochte albums, de Brit Awards en de tour met Michael Jackson allemaal over te slaan om direct door te steken naar haar neergang in de jaren negentig, want ik heb nog meer te doen. “Ik stond rond die tijd in het theater met de musical Tommy, raakte kort daarop zwanger en had het helemaal gehad met de muziekindustrie.” Haar ogen verraden een ver verleden, maar de kleilaag op haar gezicht geeft geen millimeter mee. “Achteraf zou je kunnen zeggen dat het een burn-out was. Ik was ontevreden, had nergens lol meer in en voelde me dáár dan juist weer schuldig om. Het is misschien een vreemde analogie, maar pas ná 11 september [2001] begon ik weer licht aan het einde van de tunnel te zien.” We zijn het er beiden over eens dat twee vliegtuigen in het WTC inderdaad een vreemde analogie zijn voor een zeer alledaags vrouwenprobleem. Ik zit hier toch niet om mee te jammeren over het eeuwige dilemma tussen kinderen en carrière? Ik zit hier voor mannenzaken! Dit lijkt me een uitgelezen kans om Jeff naar boven te roepen voor wat broodnodige ‘roomservice’ en een flesje water voor Kim. Plotseling – alsof mijn gedachten worden gelezen – zwaait de deur open. Ik kan mijn opwinding nauwelijks onderdrukken en kijk hoopvol om, maar in plaats van Jeff verschijnt het gezicht van Daniëlle die komt melden dat ik nog tien minuten heb.

“In die moeilijke periode heeft mijn tuin me enorm gesteund”, zegt Kim. De deur gaat weer dicht. Tuin? In eerste instantie mis ik haar punt volledig. Bij mij thuis is zelfs de taaiste cactus binnen een week morsdood. Bloemetjes, plantjes en stekkies kunnen me gestolen worden, maar dan schiet me te binnen dat ze een niet onverdienstelijke parallelle carrière heeft als landschapsarchitect. Haar boek Gardening with Children was een bestseller onder Britse huisvrouwen. Ik kijk door mijn oogharen naar haar op en zie de gewezen superster voor me met het haar in een knot, een leesbril, tuinhandschoenen en een heggenschaar. “Ook in die wereld werken gepassioneerde, idiote mensen, net als in de muziek. Door mijn werk in de natuur en met kinderen kreeg ik ook weer zin om muziek te maken.” Traploos schakelt ze uit de gevarenzone over naar het persbericht bij Never Say Never: “Het nummer Forgive Me gaat over milieuvervuiling. Ik ben blij dat ik daarmee een breed publiek kan bereiken, want ik voel me een activist. Ik heb meer dan 1000 bomen geplant. We kunnen het milieu redden.” De moed zinkt me in de schoenen. Natuurlijk, het milieu. Tegen zo’n politiek correcte autocue kan ik niet op. Louter veilige antwoorden. “Misschien wel”, werp ik tegen, maar je publiek is toch kleiner geworden. Het tijdperk van de superster is definitief voorbij. Is dat niet jammer voor de boodschap die je over wil brengen?” “Alles is cyclisch”, zegt ze. Om dat te weten, moet je stokoud zijn, denk ik. “De supersterren komen wel weer terug. Ik ben er klaar voor! Vroeger was ik een pop babe, en nu ben ik toch wat ruiger geworden. I finally embraced my inner rock chick! Ik denk dat ik er daarom nu meer van geniet dan 25 jaar geleden.”

Weer gaat de deur open. “Vijf minuten nog. Wil je gaan afronden?”, vraagt Daniëlle. Radeloos kijk ik mijn notities door. Een rock chick met een vouw in haar pantalon… Dit dreigt een rampzalige excercitie te worden. Tijd voor een wanhoopsoffensief: “Een nieuwe release gaat altijd gepaard met een schandaaltje”, opper ik hoopvol. “Een opname in een afkick-kliniek, een val uit een palmboom, een nieuwe – veel te jonge – liefde, allerhande misdragingen… Misschien kan ik u helpen met het verbouwen van deze hotelkamer? ‘Inner rock chick trashes hotel room’. Goeie pers!”, ratel ik en ben al onderweg naar het mediameubel. Als de flatscreen door het raam vliegt, komt het personeel vanzelf binnen en kan mijn liefdesmiddag na wat administratieve handelingen alsnog doorgang vinden. Maar Kim Wilde kent geen schandalen. “I guess I’m just not that kind of person”, zegt ze. Geen superster en geen rock chick. Geen Jeff en geen jacuzzi. Ik grijp naar mijn laatste redmiddel: de open kaart. “Mrs. Wilde, I write for a gay magazine. Heeft u hier toevallig een donkere jongen zien rondlopen? flap ik eruit. “Hij hoort bij het personeel, maar voor mij is hij een nieuwe ster. Hij is prachtig.” Maar Kim Wilde ziet geen personeel. Ergens voel ik me opgelucht dat haar smetteloze glamourgezicht geen enkele uitdrukking verraadt als ze voor het eerst tijdens het interview recht in mijn ogen kijkt. Een korte, bijna berustende stilte. We weten allebei dat dit het einde is. “Misschien moet jij ook eens gaan tuinieren”, zegt ze. Ze geeft me een ferme handdruk en voor ik het weet, sta ik weer buiten. In de gangen dwaal ik rond, nog steeds op zoek naar mijn Four Letter Word, maar onvermijdelijk richting de uitgang, langs kamers die voor mij gesloten blijven.

Een onverdoofd gecastreerde versie van dit interview verscheen in WinQ magazine op 1 november 2006. In het opvolgende nummer is een verklaring opgenomen waarin de auteur nadrukkelijk afstand neemt van deze censuur door de hoofdredactie.


Amsterdamse koorts

February 5, 2010

In Amsterdam lijkt niemand te werken. Tijdens kantooruren zitten de terrassen propvol en de stad ontwaakt pas rond het middaguur. Toch geldt het als het creatieve Mekka van  Nederland. Het gemeentebestuur trok vorig jaar tientallen miljoenen belastingeuro’s uit om de ‘creatieve industrie’ te ondersteunen en van Amsterdam het bruisende ideeëncentrum  van Europa te maken, inclusief een nieuw Stedelijk Museum*. Maar bij Jochem Werther, één van de duizenden creatieven in de hoofdstad, heeft de stad de stekker er langzaam uitgetrokken.  Een jong multitalent dat dapper vocht maar uiteindelijk bezweek aan de gevolgen van de ‘Amsterdamse Koorts’.

Aan de hand van gesprekken met nabestaanden en  (e-mail)correspondenties van het slachtoffer reconstrueerde Credits Magazine de zwanenzang van een hoofdstedelijk wonderkind.

Tot eind 2004 ontving Jochem een WIK-uitkering ter ondersteuning van beginnende kunstenaars. Na stopzetting van zijn toelage verdween hij definitief in de categorie ‘onbemiddelbaar’.

Het Idee
Jochem was gezegend, want Jochem had een Idee. Een Idee dat alle andere ideeën overbodig zou verklaren en hem rijk, beroemd en onsterfelijk zou maken. Nu Jochems as is  uitgestrooid boven de Reguliersdwarsstraat, waakt zijn familie als een roedel Dobbermans over zijn erfenis. Want Jochem mag dan dood en opgebrand zijn; zijn gedachtegoed is nog  altijd springlevend. Daarom is het ons op last van de advocaten van zijn nabestaanden nadrukkelijk verboden zijn Idee openbaar te maken. Het enige wat we hier kwijt kunnen, is dat het  iets te maken heeft met multimedia, het reality-genre en met Jochem zelf. Misschien hebt u genoeg aan deze cryptische beschrijving, beste lezer, en denkt u de rest zelf in te kunnen  vullen om uw voordeel ermee te doen, maar dan onderschat u de slagvaardigheid van de nabestaanden, hun juridische team en – belangrijker nog – het unieke genie van de bedenker. Want er was maar één Jochem.

Net als de grootste revoluties begon het allemaal klein, op zijn zolderkamertje in Amsterdam Osdorp en in Zuid, waar Jochem na zeven jaar nog bijna dagelijks op de Gerrit Rietveld  Academie te vinden was. Officieel is hij daar nooit toegelaten, maar hij liet zich door dat soort futiliteiten niet weerhouden. Hij volgde lessen fotografie en hing rond bij de colleges v.A.V., een schimmige discipline die staat voor ‘voorheen Audio Visueel’, maar wat de vakgroep onder die nieuwe naam dan wél behelsde, was niemand duidelijk – ook Jochem niet. In die tijd  was hij al volop met het reality-genre bezig en bewees zijn vernieuwingsdrang met diaprojecties van zijn probleemhuid op de kantinemuur en eeuwige video-loops van zijn blote voeten die achtereenvolgens door water, zand, glas en uitwerpselen liepen en weer terug. Hij had er een paar lelijke infecties en een tetanusprik aan overgehouden, maar ook lovende – officieuze  – beoordelingen van zijn docenten, die vooral zijn “verfrissende gebrek aan respect voor de esthetische traditie” prezen en een glanzende toekomst in de mode of keramiek voor  hem weggelegd zagen. Eigenlijk was Jochem’s talent overal toepasbaar, zeiden ze, zolang hij zich maar niet langer audiovisueel uitdrukte. Maar vanaf dat moment vlamde in Jochem juist díe ambitie hoog op. In zijn hoofd groeide het besef dat hij zijn eigen leven te gelde kon maken, louter door het vast te leggen en aan een zo breed mogelijk publiek te presenteren. Na zijn studie experimenteerde hij in de avonduren wat met camerahelmen en videodagboeken, maar hij zag pas echt het licht in 2004, na een kroegentocht met de aankomende reclameregisseur R. die – in aanloop naar zijn grote doorbraak – de kost verdiende als thuiskweker voor een coffeeshop op de Nieuwmarkt. Hij was het die Jochem niet als mens zag,  maar als een product dat op multimediale wijze aan de man gebracht moest worden. Aan zijn beste vriendin Dagmar schreef Jochem:

“Die avond is hij nooit op komen dagen”, zegt Dagmar, alsof ze toen al had moeten weten hoe het met Jochem zou aflopen. Eigenlijk is ze comédienne, maar sinds haar afstudeervoorstelling aan een privaat kleinkunstschooltje op Kattenburg zit ze in een “creatieve burnout” en kwam ze dertig kilo aan. Al drie jaar pouleert ze wijnglazen in een nachtkroeg, en al drie jaar voelt ze zich schuldig. “Niet omdat dit stom werk is”, zegt ze snel, “maar omdat ik domweg de tijd niet had om Jochem verder te helpen met zijn carrière. Jochem is zó briljant, dat ie zichzelf af ten toe in de voet schiet. Ik had meteen naar hem toe moeten gaan. Hem met beide benen op de grond moeten zetten, maar ik had er de puf niet voor. Toen hij twee maanden later naar de bar kwam, was het eigenlijk al te laat. Hij was niet meer in staat om zijn idee – hoe geniaal ook – terug te brengen tot werkbare proporties. Hij ging zweven en is nooit meer geland.”

De Koorts
Zijn oorspronkelijke opzet groeide gestaag uit tot een wijdvertakt totaalconcept dat Jochem boven zijn hoofd groeide. Wat begon als een relatief sterk Idee, verwaterde gestaag in een onontwarbaar web van half uitgewerkte krabbels op bierviltjes en morsige servetten. Erger nog: op zijn nachtelijke ‘inspriratietochten’ liep hij een groeiend aantal dolende zielsverwanten tegen het lijf, die allemaal een graantje van zijn toekomstige succes wilden meepikken. Regisseur R. bleek slechts de eerste in een lange stoet: would-be telecomjongens, dramaturgen, dichters, muzikanten en acteurs drongen zich hijgerig aan hem op en zagen in Jochem hun ontsnapping uit een roem- en troosteloos bestaan als telemarketeer of garderobemedewerker. Jochem nam ze allemaal aan boord. Iedereen die een rondje gaf en een compliment uitdeelde, mocht meedoen. Na een radiostilte van maanden mailde hij Dagmar:

Gedreven door de vele verleidingen van de stad hield Jochem kantoor tussen elf uur ’s avonds en vijf uur ’s nachts op wisselende locaties in het centrum. Algehele vermoeidheid lag op de loer, nét op het moment dat zijn Idee – dat de grenzen van het voorstelbare nu ruimschoots voorbij was – toch van de grond leek te komen. In de zomer van 2005 liep hij de eigenaar van een dotcombedrijf tegen het lijf. Die leek bereid de eerste uitzendingen te sponsoren en noodzakelijke faciliteiten te betalen. Maar op de eerste concrete bespreking in anderhalf jaar liet Jochem verstek gaan:

“Hij had het gewoon alleen met mij moeten doen”, snikt Dagmar. Ze droogt haar ogen met haar theedoek. “Samen hadden we het zeker gered. Maar Jochem wilde altijd alles delen met iedereen: zijn lichaam, zijn talenten en ook zijn Idee. Daardoor is alle energie eruit weggelekt. Als zoveel creatieve klaplopers zich ermee gaan bemoeien, wordt de spoeling te dun.” Ze kijkt naar buiten. Wanneer een clubje Britse hooligans scanderend voorbij loopt, springt ze op een draait de deur op slot. “Het eigenaardige is, dat Jochem zonder noemenswaardige resultaten te boeken toch een bepaalde bekendheid kreeg. Voor een niet-bekende Nederlander had hij zijn maximum aan roem bereikt: hij sprak op congressen, deed openingen en speelde dagvoorzitter voor creatieve fora. Allemaal net genoeg om zijn huur te betalen en zijn verslavingen te bekostigen. Maar ondertussen zag ik hem bijna nooit meer. Hij leefde alleen ’s nachts. Hij was een monster geworden. Een feestbeest met een te groot hart.”

De deadline
Wat Jochem precies de das heeft omgedaan, is onduidelijk. Zijn artsen spreken van een combinatie van chronische vermoeidheid, excessief drugsgebruik, een verwaarloosde syfilisinfectie en een stressgerelateerde hartaandoening. De feestdagen had hij nog doorgebracht bij zijn ouders in Breda, en hij was als herboren teruggekomen. Maar Jochem naderde de dertig en zag die deadline onvermijdelijk op zich af komen. Wilde hij zijn reputatie van wonderkind voor eeuwig kunnen voeren, dan moest het succes nu snel komen. Met dubbel enthousiasme stortte hij zich in zijn oude ritme, met fatale afloop. Op 23 juni van dit jaar, drie weken na zijn overlijden en twee dagen voor zijn verjaardag, brak de GG&GD zijn appartement open. De elektriciteit was afgesloten en in de zomerhitte verspreidde hij een enorme stank. Dagmar moest hem identificeren: “Ik herkende hem eerst niet eens. Zijn gezicht was vervormd en had een onbeschrijflijke kleur. Overal wondjes. De kamer was bezaaid met papiertjes vol telefoonnummers, organogrammen van toekomstige ondernemingen, flyers voor feesten en de meest waanzinnige aanvullingen op het Idee. Het was alsof ik het huis van een seriemoordenaar in een thriller binnenliep.” Ze pauzeert om haar pols te checken. “Behalve zijn familie en ik is niemand naar zijn crematie gekomen. Al die zogenaamde stadsvrienden hadden hun aandacht alweer verlegd naar het volgende slachtoffer van de Amsterdamse Koorts. Ergens ben ik daar nog blij om ook, want buiten ons had niemand daar iets te zoeken.” Werktuigelijk pakt ze haar theedoek. “Ik ben veranderd. De komedie is voorgoed uit me verdwenen. Laat mij maar gewoon pouleren. Het liefst ergens in een dorp op de hei, ver weg van hier. ” Dan bukt ze achter de toog en haalt een rouwkaart uit haar tas. “Deze neem ik overal mee naartoe”, mompelt ze met overslaande stem. “Want misschien was hij niet de man voor mij, maar hij was wel in álles mijn man.”

Vrij naar Gerard Reve (1996): ‘Amsterdam is een lugubere feesttent waarop een vloek schijnt te rusten, want welk talent men ook moge hebben: wie daar blijft zitten zal nooit iets bereiken.'

Bent u ook creatief in Amsterdam en heeft u behoefte aan nazorg? Mail dan naar nazorg@lithium.nu.

Dit artikel is eerder verschenen in Credits#4, 2006, themanummer ‘De creatieve industrie’, Credits Media, Amsterdam.

Voetnoten:
*Amsterdam Creatieve Stad. Kunstplan 2005-2008 (Gemeente Amsterdam, 2004)



Het koekoeksjong

February 5, 2010

Op sommige huwelijken na, is een partnerschap zelden zo explosief uit elkaar gespat als in het verborgen koningsdrama van het reclamebureau et al. in de stad A. Op last van dwangsommen is het de redactie verboden om de betrokkenen met hun werkelijke naam en toenaam te vermelden. De hoofdrolspelers en hun bedrijf worden hier allen aangeduid met namen of initialen die geen enkel verband houden met hun ware identiteit. Behalve Deep Throat*. Hij krijgt de naam die het beste bij hem past: zonder hem zou deze reconstructie het niveau van koffieroddels en complottheorieën niet kunnen ontstijgen.

Afbeelding: Arjen van Lith

Het begin
Deep Throat heeft alles van dichtbij meegemaakt. Als lid van een driekoppig ‘A-team’ binnen et al. was hij een cruciale machtsfactor binnen het bedrijf, dat voor 49 procent in handen was van een grote Amerikaanse speler en voor de overige 51 procent was verdeeld onder 16 partners. “Als je ‘partner’ op je kaartje had staan, dan had je het gemaakt”, zegt Deep Throat. “Bij ons werkten geen loonslaven voor een uitknijpsalaris, maar free agents die hun eigen rendement bepaalden. Ik sta nog steeds achter die filosofie. Heel bevrijdend. Op het hoogtepunt hadden we een paar honderd medewerkers die van hoog tot laag vanuit een zelfstandige, ondernemende houding werkte. Het was voor iedereen mogelijk om op te klimmen naar het allerhoogste, behalve voor de cijferneukers. Partners bestonden louter uit (voormalige) creatieven, strategen en  accountjongens. Misschien was dat wel de grootste fout. We leefden in een bubble die niets met de werkelijkheid te maken had, en nu werkt er helemaal niemand meer.”

Toch is dit niet het verhaal van Deep Throat. Dit is het verhaal van Edwald A., de  onbetwiste zonnekoning van et al. en de opperprofeet van de Nieuwe Marketing aan het einde van het vorige millennium. Het was de tijd van de eerste internethype en kinderlijk economisch optimisme: recessies leken voorgoed tot het verleden te behoren en alles waar ‘dotcom’ achter stond, stormde met een nooit eerder vertoonde burn rate richting de beurs met flipvalues van honderden procenten – op papier. Edwald A. was een exponent van zijn tijd. Deep Throat: “Edwald had een toekomstvisie waarin merken crossmediaal zouden uitgroeien tot zenders met een betrokken brand-community die interactief fungeert als vijfde colonne, als invloedrijke ‘virtual partner’ van het merk. Of iets dergelijks. De strekking deed er niet eens zoveel toe, want twee jaar later spatte die zeepbel wereldwijd uiteen. Het was vooral de manier waarop we zijn profetieën door de strot geduwd kregen. Dat kwam veel harder aan. Zoals een gans met een trechter in zijn bek wordt gegaffeerd tot paté, zo kreeg het bureau ideologische  dwangvoeding van Edwald A.”

Edwald A. groeide op in ’t Gooi als zoon van een plaatselijke industrieel en was gezegend met een heilig geloof in zijn eigen gelijk. Hij bezocht de beste scholen, maar pikte er – zoals de meeste nakomelingen van succesvolle ouders – nauwelijks iets op. Wel was hij de eerste in de  brugklas met een oorbel. Volgens studievrienden van de HEAO staat hij hinderlijk dichtbij in gesprekken, maar weet hij wél te boeien en te overtuigen. Hij studeerde af met een scriptie die tegen betaling door een ander was geschreven, en tóch had hij wel degelijk zijn eigen ideeën. Met een dierlijke charme wist hij zich – ondanks zijn welvaartsbuikje – omringd door een aaneengeregen keten vriendinnetjes. En hij was niet bang om vuile handen te maken wanneer het hogere doel daarmee gediend was. Als freelance copywriter pakte hij wanbetalers keihard aan. Reclameregisseur R. kreeg het met hem aan de stok vanwege een paar openstaande rekeningen: “Mijn vriendin opende toen net een eigen boetiekje en daar ging veel geld in zitten”, zegt R. “Bovendien zat ik zelf in een veel te duur pand. Hoe dan ook: Edwald had een jaar lang geen geld gezien. Toen ik op een dinsdagmiddag terugkwam van een shoot in São Paulo was mijn hele kantoor leeggehaald. Er stonden alleen nog twee lege kratjes Grolsch en een iBook. Daarna heb ik geen aanmaningen meer ontvangen.**”

Ook zijn voormalige art-maatje Jordie B. herkent het roofdier in Edwald A: “Hij verdiende meteen al twee keer zoveel als ik. Na zijn  salarisonderhandelingen zag ik de CFO wit weggetrokken richting de wc waggelen. Hij zag het als een sport om klanten te overtuigen. Een  full-contact sport. Vaak ontaardde dat in urenlange sessies tot ver na kantoortijden. Ontvangstlounges veranderden in verhoorkamers waar het water langs de ramen liep. Uiteindelijk geeft zo’n klant toe, uitgedroogd en murw gebeukt met holle frasen over ‘connectivity’, ‘on demand’ en al die andere kreten die je toen veel hoorde. Hij praatte veel beter dan hij schreef. Daarom is ‘ie ook partner geworden.”

De paleisrevolutie
Eenmaal in de cockpit van et al. leek Edwald A. zich aanvankelijk als een vis in het water te voelen. Hier werd groot gedacht. et al. breidde zijn activiteiten sterk uit en onder aanvoering van Edwald A. groeide het bedrijf uit tot een spatvlek van web-BV’tjes en denktanks die elk hun deel van zijn toekomstvisioen moesten waarmaken. Deep Throat: “Met reclame had het allang niets meer te maken. et al. moest een ideeëncentrum voor de toekomst worden, op alle gebieden. We emancipeerden individuele consumenten en begeleidden tegelijkertijd de strategie, communicatie en de noodzakelijke mentaliteitsaanpassingen van onze klanten. We waren bezig de wereld te veranderen. Wat zeg ik? Te verbeteren! We bouwden aan een Gesammtkunstwerk dat de grenzen van onze disciplines ver overschreed.”

In zijn eerste jaar als partner kreeg Edwald A. alle vijftien neuzen dezelfde kant op. Van de War Room tot de werkvloer was het bedrijf geïnspireerd door zijn hallucinante vergezichten. Deep Throat: “We raakten steeds hechter met elkaar verbonden. Vooral het A-Team, maar ook de overige partners beschouwden zich als een familie, bijna een maffiafamilie waaraan geen ontsnapping mogelijk was. Maar onze gedeelde belangen werden steeds meer de belangen van Edwald A.” Toen Edwald A. zich als primus inter pares op de troon hees en het applaus over hem heen klaterde, begonnen de klanten onrustig te worden: Edwald A.’s toekomstdromen leidden allerminst tot eenduidig werk, laat staan een hogere omzet. Na een serie volstrekt onbegrijpelijke campagnes besloot de trouwste van allemaal, een biermerk, onverwacht een pitch uit te schrijven***. Andere adverteerders volgden snel zijn voorbeeld. Deep Throat herinnert zich: “In die tijd begon de wereld zich tegen ons te keren. We waren een groot bureau met torenhoge kosten, peperduur en impopulair bij de klant. Oeverloos geouwehoer werd niet meer gepikt. De rijkdom van de nieuwe economie bleek alleen op papier te bestaan. Iedereen was gestresst over 9/11… En Edwald liet zijn ware gezicht zien.”

“Het voordeel van een partnerschap is dat niemand de baas is en iedereen ondernemer”, zegt Deep Throat. “Toen het slechter ging, werd dit voordeel een nadeel. Sommige mensen zijn betere ondernemers dan anderen. Edwald wist dat vrijwel iedereen geld had geleend om zich in te kopen. Nu de inkomsten terugliepen, begon die investering steeds zwaarder te drukken.” Zelf kende Edwald A. weinig financiële zorgen: uit het zicht van de Quote 500 staat zijn vader garant voor een bescheiden nationaal product. Die onafhankelijkheid maakte hem nog vasthoudender. Deep Throat: “Zijn koppigheid heeft de eerste tijd veel vruchten afgeworpen. Ere wie ere toekomt. Maar Edwald A. kan geen water bij de wijn doen. Hij krijgt vaak wat hij wil, en tóch kan hij niet onderhandelen. Toen de bank begon te duwen en zestien kapiteins allemaal een andere koers wilden varen, zette Edwald A. zijn hakken in het zand. ‘Een principe is pas een principe als het geld kost’, zei hij in een meeting na weer een verloren klant… Dan durf je héél ver te gaan.” Dissidenten werden opgejaagd als in de hoogtijdagen van de Stasi. Wie het in zijn hoofd haalde om af te wijken van zijn decreten, verdween snel van het toneel.

Sommige partners deden aangifte, maar de raadsman van Edwald A.was een maestro**** in het herinterpreteren van de aanklacht. Die wist hij in bovenstaand geval terug te dringen van afpersing en bedreiging naar dierenmishandeling, een vergrijp dat in het strafrecht gelijk staat aan vandalisme. Edwald A. werd in 2001 veroordeeld tot een boete van 200 euro en een taakstraf.

De broedermoord
Terwijl de familie uitdunde en minder ging verdienen, begonnen de verhoudingen binnen het A-Team steeds meer op scherp te staan. “Partners gaan zelden als vrienden uit elkaar”, zucht Deep Throat. “Ik heb steeds geprobeerd met rede en argumenten onze koers te wijzigen… terug op  aarde te komen. Maar Edwald gaf geen centimeter mee. We hebben zelfs een relatiecoach ingeschakeld. We waren tenslotte partners!   Uiteindelijk heeft dat de zaak ook geen goed gedaan. Grote meneren laten zich niet zomaar in hun hoofd kijken, zeker niet door zo’n  therapeutische mediator bij een kopje slappe thee. Ondertussen werd de sfeer steeds grimmiger en bleef iedereen maar lijden aan onderlinge  spelletjes, ruziënde aandeelhouders en een Nero-figuur die de afgrond niet wilde zien. Nee, erger nog: hij zwiepte ons één voor één over de  rand.”

De derde superpartner in het A-Team was Sjors H., bijgenaamd ‘de Stille’. Sjors H. was de behoudendste van het A-team, de voorzichtigste. Hij  zei niet vaak iets, maar hij werd binnen et al. op handen gedragen, omdat hij zich kon vereenzelvigen met de klant. Omdat de Stille zweeg, kreeg het weinige dat hij zei een bijna bovennatuurlijke waarachtigheid. Hij was een mysterie; in alles het spiegelbeeld van het orakel Edwald A., die  in hem de grootste bedreiging voor zijn alleenheerschappij zag. Deep Throat: “Uitgerekend Sjors was degene die Edwald ooit heeft  voorgedragen voor het partnerschap. Daarmee heeft hij zijn eigen ondergang ingeluid. Het succes van de één was allang niet meer het succes  van de ander. De meeste partners gingen door de knieën voor Edwald’s overredingskracht. Anderen zwichtten onder de financiële druk en  namen hun verlies. Maar de Stille bleek voor beide ongevoelig.” Dus pakte Edwald A. hem aan op zijn grootste kracht: zijn geheimzinnigheid.”  De Stille werd zorgvuldig – met gesloten vizier – van het bord geschaakt.

Sjors H. was mysterieus en dus een magneet voor vrouwen. Van zijn fysiek moest hij het niet (meer) hebben: hij was een vijftiger met spillebenen en een gezette, nekloze romp die weinig verheffends meer verried. Zijn Helmut Kohl-bril leek zó stormvast in zijn neusbrug geschroefd, dat hij er – volgens de meiden van de receptie – noodgedwongen ook mee moest slapen. Desondanks gonsde het in de chill-zones  van de geruchten over ‘wie hij werkelijk was’ en ‘het beest in de Stille’. Die nieuwsgierigheid werd gevoed door een uitgekiende direct-mail-campagne waarin de meeste geadresseerden achteraf de hand van Edwald A. zagen. Bij collega’s, vrienden, familie en zakenrelaties viel  een brief op de mat met de wildste verhalen over Sjors H.’s privé-leven. Hen werd vriendelijk verzocht om het verhaal op ‘feitelijke  onjuistheden te controleren’. Later zou alle informatie in boekvorm gepubliceerd worden***** .

Het boek is er nooit gekomen, maar de positie van Sjors H. binnen et al. werd onhoudbaar. Hij werd niet meer serieus genomen. Relaties met  wie hij een jarenlange vertrouwensband had opgebouwd, observeerden hem nu met een giechelige nieuwsgierigheid in de hoop iets van de  woeste onderstroom in de Stille te ontdekken. Vrienden zegden etentjes af. Onder de overgebleven  medewerkers heerste anarchie: mede- en  tegenstanders van de Stille vochten een loopgravenoorlog uit waar de Soennieten en Sji’ieten nog een puntje aan konden zuigen. De  leiderschapscrisis had zijn weg naar de werkvloer gevonden. et al. kwam tot volledige stilstand. Uiteindelijk koos de Stille de aftocht, maar hij nam wel de laatste klanten mee. Met hem vertrokken ook de zwaarste client service directors, die hun werk onder zijn leiding voortzetten.

Het einde
Zonder de Stille was het leeg bij et al. In onbemande kamers wachtten stoffige toetsenborden en verdroogde planten lijdzaam in de stilte op hun einde. De oostvleugel van het gebouw wekte de indruk alsof er zojuist een bommelding was binnengekomen. Edwald A. en de overgeblevenen trokken zich terug in de westvleugel. Hij toonde zich verheugd over wat hij noemde ‘het directere contact tussen creatie en de klant’ en vierde  de zakelijke amputatie als een blessing in disguise, maar het einde naderde sneller dan hij dacht.

“De val van de Stille had veruit de grootste gevolgen”, zegt Deep Throat. “Tot nu toe had ons Amerikaanse zusterbedrijf het gekonkel binnen et al. met lede ogen aangezien, maar toen Sjors met een stille tocht van relaties en personeel in zijn kielzog vertrok, grepen ze genadeloos in. Ze  vonden ons maar ‘fucking communists’, een stelletje apparatsjiks die hun onderlinge machtsspelletjes uitvochten ten koste van de bottom line.  We waren geslonken van 200 medewerkers naar 75, plus een lading stagiaires. et al. was bezig aan een financiële klapgijp die het nauwelijks  meer te boven kon komen.”

De Amerikanen maakten pijnlijk duidelijk dat Edwald A. slechts regeerde over een minderheid. Misschien hadden ze niet eens zoveel moeite  met een alleenheerser op hun Nederlandse troon; het bedrijfsleven is bij uitstek feodaal. Maar dat weerhield ze niet van een snelle, krachtige regime change. Vier dagen na het vertrek van de Stille startte het bliksemoffensief: iedereen werd uitgekocht. Er werd een bewindvoerder  ingevlogen en Edwald A. werd hardhandig uit het pand verwijderd. Van futuristisch gewauwel is geen sprake meer: in de saaiste traditie van de reclamehorige maakt et al. – onder een nieuwe vlag – alleen nog maar Duitse adapties. Het is nog nooit zo goed met ze gegaan.

De verwijdering van Edwald A. uit et al., gefilmd door bewakingscamera’s. Dit beeldmateriaal maakt deel uit van de nooit eerder uitgebrachte documentaire ‘40 jaar et al., de opkomst en ondergang van een reclamebureau’ (2004).

Nu, bijna vijf jaar na zijn val, heeft Edwald A. een nieuwe toekomstdroom. Net als Al Gore en Victoria Koblenko heeft hij zich tot doel gesteld  om de planeet te ontdoen van nare luchtjes en gassen. Om dat te bereiken is een wereldomspannend partnerschap vereist, maar daardoor zal hij zich niet laten weerhouden. Edwald heeft onlangs financiering gekregen voor Green Mind, Global Thinking, een internationaal social  network van jonge, prijswinnende creatieven die hun reclametalent inzetten om via virale campagnes bewustzijnsverandering bij moderne consumenten te creëren, om zo het broeikaseffect tegen te gaan. In zijn eigen woorden: ‘succes is talent dat groot genoeg is om samen te  werken’.

De redactie wil Deep Throat welgemeend bedanken voor zijn belangrijke bijdrage aan het onderzoek naar deze affaire. Toch heeft deze  reconstructie niet de pretentie of intentie om volledig te zijn. Zij schetst slechts een aannemelijk scenario van wat zich in werkelijkheid binnen  de muren van et al. heeft afgespeeld. Aanvullende informatie, tips en suggesties zijn zeer welkom op: koekoeksjong@lithium.nu.

Deze reconstructie is eerder verschenen in Credits#1, 2007, themanummer ‘Partners’, Credits Media, Amsterdam.

Voetnoten:
*Naar de geheimzinnige informant tijdens het Watergate-schandaal. Zijn bijdrage bracht de affaire aan het licht en vestigde de wereldwijde reputatie van The Washington Post als gevreesde onderzoekskrant. Hij hielp Bob Woodward en Carl Bernstein aan een sterrenstatus. In 2005 bekent W. Mark Felt, een voormalige topfunctionaris van de FBI dat hij Deep Throat is. Ook Woodward en Bernstein vermoeden dat Felt hun informant was, maar er circuleren nog tientallen andere namen, waaronder voormalig minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger en George Bush senior. (Uit: “I’m the Guy They Called Deep Throat“, Vanity Fair, juli 2005)

**Diezelfde regisseur kluste in een eerder leven – eenmalig – bij als standbouwer voor een automatiseringsbedrijf. Een mogelijk langdurig en
bloeiend partnerschap is in de kiem gesmoord toen de directeur drie weken later zijn eigen standvloer aantrof in het pand van Eddie S.

***De gewezen strateeg D., indertijd in loondienst bij et al., schreef hier eerder over in zijn dagboek: “[De klant] vertrouwde ons niet meer en kwam langs om verhaal te halen. Hij zag er uit als een doodzieke salamander die nog één keer onder zijn steen vandaan was gekomen om een paar finale klappen uit te delen. [Hij] deed lang genoeg zaken met ons om nergens meer in te geloven, wat mijn uitgangspositie niet ten goede kwam. (…) Toen ik namens het bureau het boetekleed wilde aantrekken, werd dat afgewezen. ‘Wij zijn nooit schuldig’. (…) [het was] nu zaak om gelijktijdig verantwoordelijkheid te nemen, alles te ontkennen én een goed alternatief marketingplan op tafel te leggen. (…) Ik implodeerde.”
(Uit: Uitgewoond, Credits, juni 2003)

****‘Maestro’ is de bijnaam die de vermeende topcrimineel Willem Holleeder aan Bram Moszkowicz toekende. Hun innige – zakelijke – relatie kwam zwaar onder druk te staan na verdenkingen van belangenverstrengeling. In februari 2007 legde Moszkowicz de verdediging van Holleeder neer. In een nadere toelichting sprak hij van een ‘complot om mij in diskrediet te brengen’.

*****De vermoedelijke dader achter deze lastercampagne liet zich inspireren door de affaire Laverman en Van Buuren vs. De Vilder uit 1987: een geruchtmakend schandaal waarin de 26-jarige Robin de Vilder – zoon van de schatrijke Rob de Vilder – het uitgeversduo Laverman en Van Buuren voor tien miljoen gulden zou hebben opgelicht. Acht jaar na dato verspreidden de twee een soortgelijke brief onder de kennissenkring van De Vilder, die op dat moment net was gepromoveerd in de economie aan de Universiteit van Amsterdam, maar niettemin een celstraf van anderhalf jaar uit moest zitten. (Uit: Speculeren met een merknaam, De Groene Amsterdammer, juni 1995)


Het verraad van Bashir

February 4, 2010

Illustratie: Arjen van Lith

De documentaire Living with Michael Jackson van BBC-interviewer Martin Bashir over Michael Jackson heeft de discussie over de geestelijke vermogens van de superster opnieuw doen opvlammen. Sinds de uitzending van 4 februari maken journalisten, fans en vrijetijdspsychologen zich ieder voor zich zorgen om zijn gezinssituatie, zijn bedgenoten, zijn neus, kin, jukbeenderen, oogleden en zijn emotionele evenwicht. Bashir, bekend van zijn interview met Lady Diana, liep acht maanden mee in Jackson’s entourage en ondervroeg hem meerdere malen. Vanaf het eerste moment was duidelijk dat hij geen interview voor ogen had, maar een inspectie, geen portret maar een profiel, bedoeld om sensatie op te roepen en te schokken.

Jackson heeft gelijk als hij zich door de documentairemaker verraden voelt. Martin Bashir bedient zich van zeer bedenkelijke technieken om het beeld van Jacko als ongelukkige gek opnieuw te bevestigen. Zijn gebruik van suggestieve voice-over waar hij het beeld van een valse emotionele laag voorziet, zijn verontwaardigde overpeinzingen in de auto en zijn gespeelde bezorgdheid om Jackson’s kinderen plaatsen Jackson in een licht dat hij niet verdient. ‘Goede televisie’, moet Bashir gedacht hebben toen hij het ene na het andere ziektebeeld – narcisme, pedofilie, manische depressie, megalomanie – op hem projecteerde. Toegegeven, Michael Jackson is niet normaal, maar dat is nu juist zijn aantrekkingskracht. Michael is special. Juist omdat hij zo duizelingwekkend anders is wordt hij aanbeden over de hele wereld. Vanaf zijn bizarre kinderjaren heeft hij een omgeving voor zichzelf gecreëerd waarin alleen hij zich thuis voelt. Neverland mag dan voor ons stervelingen aandoen als een dystopisch luchtkasteel; voor hem is dát de realiteit. Hij had net zo goed op Mars kunnen wonen, want Michael Jackson is niet van deze wereld. Dat maakt hem – ongeacht leeftijd of muzieksmaak – voor iedereen fascinerend. Hij is de eerste alien op aarde.
Toch doet Bashir verwoede pogingen hem terug te trekken naar de grond, naar de realiteit van alledag, en legt daarmee keer op keer de botte bijl aan de wortel van Jackson’s sterrenstatus. Tot drie maal toe stelt hij de onnodig platte en retorische vraag of ‘het normaal is voor een man van 44 om te slapen met jongetjes van twaalf’. Inderdaad, het is niet normaal. Die term is nog nooit op Michael Jackson van toepassing geweest. Maar Jacko trapt in de val en benadrukt de onschuld van zijn logeerpartijtjes. Ik ben niet zijn advocaat en ook geen psychiater, maar ik meende duidelijk te zien dat zijn zonderlinge wereldbeeld eerder naïef aandoenlijk dan verontrustend is. Hij staat dichter bij het kind dan bij de manipulieve seksuele agressor. Aan het begin van de documentaire zegt hij het letterlijk: ‘Ik ben Peter Pan’, de eeuwige jeugd. Hij lijkt er zelfs op. Die neus. Hij is een stokoud Disney-figuurtje geworden, een intens vermoeid kind dat meer weg heeft van een slachtoffer dan van een zedencrimineel. Dat Michael Jackson zijn lakens openslaat voor jonge jongetjes onderstreept niet zozeer een seksuele frustratie, maar eerder zijn gekozen zelfbeeld van altruïstische weldoener. Het bewuste bedgenootje, de twaalfjarige Gavin, zweert dat de ster met zijn gezelschap, vrijgevigheid en opoffering wezenlijk heeft bijgedragen aan zijn genezing van kanker: Jackson sliep op de grond en zijn vriendje werd gezond. Om dan toch maar een diagnose te stellen: Jacko is niet Wacko, maar heeft een Messias-syndroom.

Op 5 februari 2003 stelt journalist Ros Coward in The Guardian dat niet Jackson gek is, maar het dolgedraaide systeem van dollars en maakbaarheid waarin hij zich beweegt. Hij zou een karikatuur van een losgeslagen systeem zijn. Coward illustreert deze stelling met Michael’s ‘smakeloze aanpak’ om een gezin ‘aan te kopen’ en noemt deze symptomatisch voor ‘onze meer problematische Westerse waarden’. Hij gaat er gemakshalve aan voorbij dat deze methode van gezinsvorming tot veler geluk dagelijks wordt toegepast en op geen enkele wijze de waarde van menselijk leven ondermijnt. Toen Jackson schutterend zijn jongste telg Blanket probeerde te voeden onder een groene vitrage, was Bashir er als de kippen bij om dit onthutsende stukje ouderschap minutieus in beeld te brengen. Inderdaad, het zag er uit alsof Jackson voor het eerst in zijn leven een kind op schoot had. Gelukkig betalen zijn ‘schaamteloze dollars’ genoeg personeel om die onwennigheid te compenseren. Feit is dat het Prince Michael I, Paris en Dekentje aan niets zal ontbreken en dat ze nooit een normaal leven zullen leiden. Maar het is wreed om op grond daarvan iemand van kinderen te onthouden, en het is ongepast om zwaarbevochten individuele vrijheden af te doen als het ‘in bescherming nemen van de waanzin’.

Jackson’s transformatie van zwart naar blank – ik meende ook Aziatische trekken te zien – zou volgens Coward beantwoorden aan een ‘onderbewuste wens van het Westerse imperialisme’: het streven naar assimilatie van een onderdrukte minderheid. Welja, dat kan er nog wel bij. Zijn muziek is anders nog behoorlijk zwart, en bovendien is Condoleeza Rice – de seksloze Darth Vader van de regering Bush – een treffender representant van een dergelijk gedachtengoed.

Het is duidelijk dat Jackson glashard liegt over zijn cosmetische operaties. Maar wat doet het ertoe? Wat maakt het uit of hij twee of twintig ingrepen heeft ondergaan en met welke reden? Het lijkt echter evident dat Jackson zich achter de wereldopinie schaart en zelf ook niet volledig tevreden is met het resultaat. Dat is op zich droevig genoeg. Als zijn gelaat dan toch aan een inhoudsanalyse moet worden onderworpen, dan lijkt het een ontroostbaar pierromasker, samengesteld uit elementen van alle wereldrassen en daarmee onherkenbaar.

Uit Jackson’s gezicht spreekt zijn enige echte lijden: zijn kinderlijke behaagzucht. Het pretpark in Neverland, zijn liefdadigheidswerk, zijn aandacht voor jonge verschoppelingen, zijn zegeningsdrang, de toenemende vervlakking in zijn muziek, zijn kin; stuk voor stuk pogingen om iedereen aan te spreken, iedereen aan te raken. Door zijn immense succes is de hele wereld zijn publiek geworden. Jackson is voor elk wat wils en daarom niemand meer. Een hologram. Aan het eind van de documentaire zei hij twee kinderen van ieder continent te willen adopteren en hij huilde om de ‘human condition’, het menselijk welbevinden en de verschraling van het gezinsleven. ‘That’s very important, Martin.’ Hulpverleningsorganisaties zullen huiveren, maar het beantwoordt exact zijn globale proporties en planeetomspannende aspiraties. Het niet normale kind, de eeuwige uitzondering streeft een unversaliteit na die hem alleen nog maar verder vervormt. Iedere keer dat Michael Jackson in aanvaring kwam met Bashir’s opvatting van het normale, werd hij nerveus en gaf hij een rare draai aan de waarheid. Waarom? Michael Jackson is royalty, de King of Pop. Adel verontschuldigt zich niet en zoekt geen uitweg in een leugen. Ook niet in een smakeloos kruisverhoor.
Wanneer realiseert hij zich hoe controversieel hij is? Bij de sarcofaag van Toetanchamon riep hij dat hij nooit begraven wilde worden: ‘I want to live forever.’ Hij zei het lachend, ontspannen, en hij meende het. Een ongewoon mens in gewone doen. Dat is betere televisie. In plaats van ‘it’s all lies and ignorance’ zou Michael Jackson met het adagium ‘it is all true and you know it’ weer enige kleur, wat meer smoel krijgen.
Want ik ben toch blij dat hij bestaat.

Dit artikel is op 13 februari 2003 verschenen in Het Parool.